Waarom kunnen wij ons inleven in anderen? Die vraag heeft wetenschappers lang bezig gehouden. Inmiddels is er een antwoord: spiegelneuronen. Een aantal jaren geleden werd in een laboratorium bij toeval ontdekt dat als een de ene aap een beweging maakt - bijvoorbeeld het pakken van een stukje appel - dat in de hersens van een observerende aap dezelfde neuronen voor het maken van die handeling vuren. Zonder echt te grijpen, deden de hersens van de observerende aap alsof ze ook grepen. De verbindingen die dit mogelijk maken noemen we spiegelneuronen. Er wordt aangenomen dat spiegelneuronen de neurologische basis voor empathie vormen. De meeste dieren hebben ze niet.
Ik sprak vandaag met mijn moeder over spiegelneuronen en empathie, wat me terug deed denken aan het boek dat ik er ooit over gelezen heb. Daarin werd de vraag opgeworpen hoe we ervoor zorgen dat we ons wél in de ander kunnen verplaatsen, maar niet de ander worden. We vereenzelvigen ons niet volledig, alleen maar heel eventjes en voor een deel met de ander. Mijn moeder gaf aan dat ze nog steeds moet leren om niet alleen naar andermans behoeften te kijken, maar ook naar die van haarzelf. Ik beschouw mijn moeder als iemand met een hoge mate van empathie. Waarschijnlijk heb ik het van haar, want ik beschouw mezelf ook als iemand met een hoge mate van empathie. Ik zuig de emoties van anderen zo gemakkelijk op, dat ik soms niet kan slapen van boosheid omdat ik iemand op t.v. heb gezien die boos was. Waar houd ik op en waar begint de ander? Mijn moeder heeft hetzelfde probleem. Mensen met een hoge mate van empathie moeten leren wie ze zelf zijn en waar hun grenzen liggen. Meestal zijn ze van nature sub-assertief. Ze gaan op in het veld van emoties en behoeften dat ze om hen heen waarnemen en zijn snel geneigd daarin te verdrinken. Alhoewel ik zeker niet volleerd ben hierin, heb ik mezelf aangeleerd mijn ademhaling als een reddingsboei te gebruiken. Mijn ademhaling is altijd van mezelf. En via mijn adem kom ik in contact met mijn lichaam, waar mijn emoties zitten. Dan voel ik wat ik zelf moet voelen, wat van mij is.
Wanneer ik mediteer, probeer ik weleens op te gaan in de energie waar alles uit ontspringt. Dat is geen wetenschappelijke energie, maar iets dat vanuit het (zen)boeddhisme wordt beschreven. De energie die overal aan ten grondslag ligt. Je voelt hem als je ervoor open staat en dan lost je 'zelf' er in op. Op dat moment is dat prettig. Je hebt geen ego meer en geen behoeften en je bent volledig in het nu. Ik zie die energie als hetgeen dat alles aanstuurt, waar de levenswil en dus de emoties en behoeften van alles dat groeit en leeft vandaan komt. Wanneer je ermee in contact staat en tegelijkertijd met mensen omgaat, lijkt alles gemakkelijker te gaan. Je voelt jezelf en de ander uitstekend aan, weet waar de grens ligt en toch is alles relatief, weet je dat de ander in feite dezelfde is als jij bent en dat het spel dat jullie spelen opkomt en ondergaat vanuit dezelfde oneindige ruimte. Dit heeft wellicht niets te maken met spiegelneuronen. Het is paradoxaal en mystiek en vooral niet-wetenschappelijk. Toch heb ik het gevoel dat er een verband is. Misschien gebruik ik mijn spiegelneuronen wel om mezelf aan die energie te spiegelen. Een energie die zo oneindig is dat mijn gespiegel erin verdwijnt. Alsof ikzelf de spiegel ben en het enige om me heen oneindige ruimte is. De enige boodschap die in mijn spiegel weerkaatst is dat ik eigenlijk in mezelf kijk en dat ik dus ook zelf oneindige ruimte ben. Dan verdwijnt de spiegel vanzelf en blijft er alleen ruimte over: de energie waar alles uit ontspringt.
(Over spiegelneuronen: Het spiegelende brein, Marco Lacobini)
Deemstering: tussen licht en donker, op de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt.
woensdag 26 december 2012
zaterdag 8 december 2012
Zonder woorden
Witte velden die nog nauwelijks betreden zijn. Het heeft gesneeuwd. Het waait zo hard dat ik af en toe een mist van opgeblazen stuifsneeuw over het land zie glijden en als de wind even wat minder blaast, is het mijn hond die door sneeuw heen rent en met zijn enthousiasme kleine wolkjes op doet vliegen. De lucht is grijs en bekent met deze kleur dat dit nog maar het begin is. Ik heb het koud. In die grijze lucht zweeft een buizerd die me denken doet aan een nieuwjaarsochtend van zeker een jaar of tien geleden. Toen was ik wakker geworden in een witte wereld en had ik - nog zonder hond - besloten om naar buiten te gaan. Ook toen was de sneeuw nog nauwelijks betreden en had ik het stervenskoud. Het landschap waar ik door liep was echter zo betoverend dat ik ondanks mijn gevoelloze tenen urenlang door de sneeuw ploeterde om deze geheel nieuwe wereld te verkennen. Er was ook een buizerd geweest. Zittend op een tak had hij bekeken wat ik deed. Iedere keer als ik dichterbij kwam, was hij vijftig meter verder gevlogen en was hij weer gaan zitten. Vijftig meter verder door de sneeuw ploegen. Uiteindelijk heb ik hem niet één keer dicht genoeg kunnen naderen om hem goed te bekijken. Toch heb ik het onthouden, alsof die dag een bijzondere betekenis heeft die ver gelegen is voorbij de kennis die in woorden uit te drukken valt. Een mens, sneeuw en een buizerd. Tien jaar later op een andere plek lijkt alles toch hetzelfde. Ook deze buizerd gaat zitten op een tak en houdt mij in de gaten. Ik heb het koud, ik ploeg door de sneeuw en ik denk nergens aan dan aan het moment. Dit keer kan ik dichterbij komen. Misschien tien meter is wat er nog rest tussen hem en mij. Dan vliegt hij weg. Natuurlijk vliegt hij weg. En opnieuw heb ik het gevoel dat dit iets betekent. Niet alsof iets of iemand mij iets duidelijk probeert te maken en niet alsof ik hier lering uit moet trekken en mijn leven moet veranderen. Ver voorbij interpretatie. Gewoon het moment dat perfect in zichzelf besloten ligt. Hier en nu zonder woorden. Zoals je zou willen dat het altijd is.
Niet bij geluk gebaat
In mijn vorige bericht schreef ik over mensenhersens die op een manier werken die voor de mens zelf heel onprettig is. Wij zijn in gedachten continu op zoek naar potentiële gevaren en mogelijke oplossingen, en dat in een tijd waarin de gevaren vele malen minder groot zijn dan pakweg vijftigduizend jaar geleden. We zijn nu eenmaal zo geprogrammeerd. Vandaar dat stress een van de grootste problemen van deze tijd is, met alle gezondheidsrisico's van dien. Want wat is er nu helemaal aan de hand? We hebben een dak boven ons hoofd, een werkende c.v. en eten in de koelkast. Er is hooguit wat gedoe op het werk, of er er zijn wat woorden met je partner. We maken ons druk of we in ons leven wel doen wat we écht willen, terwijl we ondertussen een grote kans hebben minstens tweemaal zo oud te worden als de gemiddelde mens die op deze aardbol rondgewandeld heeft - en die waarschijnlijk überhaupt nooit aan die vraag toegekomen is. Waarom zijn we dan niet tevreden? Waarom zorgt onze programmering er voor dat er altijd iets is om ons zorgen over te maken, terwijl vanuit diezelfde programmering we niets liever willen dan gelukkig zijn? Alsof je een computerprogramma schrijft dat het zichzelf onmogelijk maakt om optimaal te draaien. Het lijkt allemaal onlogisch, maar dat is het niet. In mijn bericht 'geademd worden' heb ik al de aanzet tot een verklaring gedaan. Ons ego zit ons in de weg, want het draait allemaal niet om ons. Het is mijn genetisch materiaal - mijn programmering - dat me laat streven naar dingen, dat me me zorgen laat maken en altijd op laat letten voor potentiële gevaren, ook al zijn die gevaren in deze tijd meestal niet meer levensbedreigend en vrij relatief. Mijn genen zijn niet bezig met geluk. Ze zijn bezig met streven naar geluk. Wat hebben mijn genen eraan als ik tevreden ben? Daar heb ik alleen zelf iets aan, maar zoals ik elders al vermeldde: mijn gevoel van 'ik' is alleen een bijproduct. Mijn genen willen niet dat ik op mijn lauweren rust. Dat is niet goed voor hun overlevingskansen. Mijn genen willen dat ik continu bezig ben met overleven en voortplanten, of dat ik op indirecte wijze de kansen op overleven en voortplanten zo groot mogelijk maak. Vandaar dat geluk zoals wij mensen dat willen ons altijd door de vingers glipt. Je heb het hooguit even. Onze genen zijn niet bij geluk gebaat en laten ons meteen weer naar iets nieuws streven als de het oude is behaald. En als we onszelf wijsmaken dat we alles hebben wat ons hart begeert, maken we ons toch nog zorgen over het behoud van wat we hebben.
Nu verkeren wij als mensen in de gelukkige positie dat we onze situatie min of meer begrijpen. En vandaar uit kunnen we invloed uitoefenen. Ik heb het natuurlijk over meditatie en de manier waarop het inzicht geeft in hoe wij constant achter onze eigen staart aanrennen. Maar naast meditatie kunnen bepaalde rationele inzichten bijzonder ondersteunend zijn. Als iemand me voordat ik mediteerde verteld had dat ik slechts het werktuig van een grotere kracht ben die niet bij mijn geluk gebaat is, zou ik hem niet geloofd hebben. Nu ik het zelf zowel geconcludeerd als ervaren heb, is het een krachtige waarheid geworden die me dieper door laat dringen tot wat werkelijk is.
woensdag 5 december 2012
Neurologisch gepruttel
Op het moment lees ik een boek genaamd 'Het brein van Boeddha', dat een meer wetenschappelijk licht werpt op boeddhisme en meditatie. Ik ben nog maar nauwelijks op een vierde, maar nu al heeft dit boek me nieuwe inzichten gegeven. Waar ik me de laatste tijd bijvoorbeeld aan stoor, is dat het me niet lukt om vanuit werk thuis te komen en dan ook mijn werk echt achter me te laten. Ik wandel met de hond door het bos en toch is vrijwel het enige waar ik aan denk mijn werk. Alles wat zich voorgedaan heeft, speelt zich nogmaals in mijn hoofd af en alles wat ik daar een volgende keer anders in zou kunnen doen, wordt ook alvast op het witte doek in mijn brein geënsceneerd. Toch is er wel verandering. Waar ik vroeger altijd dapper de eerste schreden op de weg van een gedachte zette en doorging tot ik bij de eindbestemming was - een eindbestemming die ik zelden écht bereikte - , denk ik nu al veel minder in volzinnen en logische oorzaak-gevolg verbanden en zie ik mijn gedachten meer voor wat ze zijn. Ooit vond ik ze belangrijk en was ik ervan overtuigd dat ze me iets te vertellen hadden. Ik dacht dat het de moeite waard was ze altijd en overal te volgen en het pad dat voor me lag plat te treden met mijn onverdeelde aandacht. Nu is het al anders. Ik denk vaak nog maar in halve zinnen en schimmige beelden en meestal weet ik mezelf ervan te overtuigen dat het ook nog zinnen en beelden zijn die niets te zeggen hebben. Eigenlijk is dat denken niets meer dan neurologisch gepruttel. Wanneer ik twee dagen niet werk, wordt het gepruttel met betrekking tot dat werk ook steeds minder. Dan komt er ander gepruttel voor in de plaats. Denkflarden, geproduceerd door talloze verbindingen in mijn brein. Het is maar een bijverschijnsel van het leven, van het opdoen van ervaringen en van leren. Ik hoef er niets mee. Daarmee kan ik gemakkelijk zo'n negentig procent van wat ik denk wegzetten als 'bijproduct'. Alhoewel dat gepruttel er nog steeds is, voelt het goed het niet meer allemaal zo serieus te moeten nemen. Daarnaast ontstaat de ruimte om die tien procent die er wel toe doet als zodanig te herkennen. Normaal vertroebelen de denkflarden datgene wat er echt toe doet. Nu wordt alles juist verhelderd (of 'verlicht', want dat is wat 'Boeddha' letterlijk betekent: verlichte). Wat 'Het brein van Boeddha' zo interessant maakt, is dat het verklaart op neurologisch gebied hoe mensenhersens werken. En waarom de manier waarop die mensenhersens werken eigenlijk helemaal niet zo prettig is voor die mensen zelf. Tenslotte heb ik er eigenlijk alleen maar last van dat ik na mijn werk nog aan mijn werk moet denken. Ik weet nu waarom dat is. Nu moet ik het nog verder afleren.
maandag 5 november 2012
Draaikolk
Vandaag is niet zo'n beste dag. Ik werd wakker met keelpijn en een snotneus. Zo'n moment waarop je voelt dat er iets is, maar hoe erg precies dat weet je nog niet. Nadat ik mijn benen over de rand van mijn bed geslagen had en mijn hoofd het weer gewend was om rechtop te staan, kon ik het beter inschatten: net-niet-ziek. Een energienivo dat duidelijk beneden de maat is en wat verkoudheidsklachten, maar verder niks. Geen reden om me ziek te melden, wel een reden om geen zin te hebben in de dag. En ik had sowieso al geen zin in de dag...
De laatste weken merk ik duidelijk dat het me gemakkelijker afgaat om dingen los te laten, om niet iedere gedachte of emotie te analyseren en om - niet onbelangrijk - als een blok te slapen. Meditatie helpt. In het begin was het doorzetten, maar het helpt. Vanaf het moment dat ik dat voelde, wilde ik alleen nog maar door, verder op de ingeslagen weg, desnoods helemaal tot Boeddha. Iedere dag een beetje zitten op een meditatiekrukje en het leven lijkt vanzelf te gaan. Tot gistermiddag. Om de een of andere reden kwam ik in een draaikolk van negativiteit terecht. Het kost me al mijn kracht om er niet verder ingezogen te worden, om niet ten onder te gaan. Ergens halverwege zwem ik nog steeds tegen de stroom in, maar ik kom er maar nauwelijks uit. Ondertussen word ik bestookt met twijfels. Wat als wat ik geleerd heb door te mediteren simpelweg het 'uitzetten van mezelf' is? Natuurlijk is het prettig dat ik niet meer als een op hol geslagen paard achter iedere gedachte aan hoef te rennen. Dat ik gewoon kan denken: dit is een gedachte, zo meteen gaat 'ie vanzelf weg. En dan gaat hij ook weg. Maar wat blijft er over? Hoe bepaal ik wat ik doe met mijn leven als ik mijn gedachten maar zo weinig serieus neem? Welke gedachten zijn er wel en niet van belang? Ben ik nog wel een mens als ik zo zonder mezelf leef? En daar ga ik, de draaikolk in. Alles wat ik heb bereikt is weg. Ik hol weer achter mijn gedachten aan.
Natuurlijk is het niet zo simpel. Ik weet dat wat ik denk de waan van het moment is. Waarschijnlijk wordt mijn negativiteit gevoed door hoe ik me voel: net-niet-ziek. De draaikolk krijgt vat op me omdat ik even niet hard genoeg kan zwemmen. Maar nu ik een helder moment heb - nu tijdens het schrijven - weet ik wat me te doen staat. Gewoon met zwemmen stoppen. Als ik me nu negatief voel, dan is dat zo. Het betekent verder niks, er hoeft geen gedachte aan gekoppeld te worden en geen toekomstperspectief van afhankelijk te zijn. Ik laat me gewoon die draaikolk inzuigen en dan kom ik er vanzelf weer uit. Dat is althans wat me als klein kind altijd werd verteld: kom je in een draaikolk, houd dan je adem in, laat je mee zuigen en zwem eenmaal beneden onder de draaikolk uit.
Daar gaat 'ie...
De laatste weken merk ik duidelijk dat het me gemakkelijker afgaat om dingen los te laten, om niet iedere gedachte of emotie te analyseren en om - niet onbelangrijk - als een blok te slapen. Meditatie helpt. In het begin was het doorzetten, maar het helpt. Vanaf het moment dat ik dat voelde, wilde ik alleen nog maar door, verder op de ingeslagen weg, desnoods helemaal tot Boeddha. Iedere dag een beetje zitten op een meditatiekrukje en het leven lijkt vanzelf te gaan. Tot gistermiddag. Om de een of andere reden kwam ik in een draaikolk van negativiteit terecht. Het kost me al mijn kracht om er niet verder ingezogen te worden, om niet ten onder te gaan. Ergens halverwege zwem ik nog steeds tegen de stroom in, maar ik kom er maar nauwelijks uit. Ondertussen word ik bestookt met twijfels. Wat als wat ik geleerd heb door te mediteren simpelweg het 'uitzetten van mezelf' is? Natuurlijk is het prettig dat ik niet meer als een op hol geslagen paard achter iedere gedachte aan hoef te rennen. Dat ik gewoon kan denken: dit is een gedachte, zo meteen gaat 'ie vanzelf weg. En dan gaat hij ook weg. Maar wat blijft er over? Hoe bepaal ik wat ik doe met mijn leven als ik mijn gedachten maar zo weinig serieus neem? Welke gedachten zijn er wel en niet van belang? Ben ik nog wel een mens als ik zo zonder mezelf leef? En daar ga ik, de draaikolk in. Alles wat ik heb bereikt is weg. Ik hol weer achter mijn gedachten aan.
Natuurlijk is het niet zo simpel. Ik weet dat wat ik denk de waan van het moment is. Waarschijnlijk wordt mijn negativiteit gevoed door hoe ik me voel: net-niet-ziek. De draaikolk krijgt vat op me omdat ik even niet hard genoeg kan zwemmen. Maar nu ik een helder moment heb - nu tijdens het schrijven - weet ik wat me te doen staat. Gewoon met zwemmen stoppen. Als ik me nu negatief voel, dan is dat zo. Het betekent verder niks, er hoeft geen gedachte aan gekoppeld te worden en geen toekomstperspectief van afhankelijk te zijn. Ik laat me gewoon die draaikolk inzuigen en dan kom ik er vanzelf weer uit. Dat is althans wat me als klein kind altijd werd verteld: kom je in een draaikolk, houd dan je adem in, laat je mee zuigen en zwem eenmaal beneden onder de draaikolk uit.
Daar gaat 'ie...
zaterdag 20 oktober 2012
Geademd worden
Gisteravond keek
ik op uit mijn boek en dacht ik minutenlang na over de zin die ik
zojuist gelezen had. Er zijn maar weinig zinnen die dat
bewerkstelligen. Zinnen waar een hele wereld achter schuilgaat, zo
veelzeggend zijn ze. De zin vatte een essentie die me diep raakte. Er
stond geschreven: 'Ik leerde me zo onbekommerd over te geven aan
de ademhaling, dat ik soms het gevoel had niet zelf te ademen maar,
hoe vreemd het ook zal klinken, geademd te worden.'
Ik word geademd. Normaliter zou ik zeggen: ik adem. Maar zelfs als ik
vastbesloten ben mijn adem in te houden en het vol te houden tot ik
niet meer leef, zal ik uiteindelijk met een rood hoofd weer naar adem
moeten happen. De adem is sterker dan het ik, dus wie is wie de baas?
Ik kan het even overnemen en sneller ademen of juist mijn adem
inhouden, maar mijn ademhaling neemt mij altijd weer het heft uit
handen. Ik word geademd, of ik dat nou leuk vind of niet. Het
bevreemdt me nu bijna dat ik het altijd anders gezegd en gedacht heb.
Ik word geademd klinkt zoveel natuurlijker. Ik leef bij de gratie van
mijn ademhaling. Als mijn ademhaling verdwijnt, verdwijnt mijn ik.
Vanuit evolutionair oogpunt zijn wij – net als alle levende wezens
– niets meer dan voertuigen voor onze genen. Dat ik kan nadenken,
een stukje kan typen en tegelijkertijd aan mijn neus kan krabben is
het resultaat van miljarden jaren trial-and-error op genetisch nivo.
Het voelt voor mij soms alsof ik een bij-effect ben van mijn genen.
Ze geven niet echt om mij. Ze gebruiken me alleen. Alhoewel het
negatief klinkt, vind ik de theorie van het zelfzuchtig gen
bevrijdend. Ik word er zo heerlijk onbelangrijk door.
Mijn
leven, mijn gedachtes, doelstellingen en frustraties, het is slechts
een uiting van een eeuwig durende strijd tussen stukjes informatie.
Een paar van die stukjes informatie laten me ademen. De stroom
gedachten die daaruit voortkomt dat ben ik. Als ik het zo bekijk is
mijn ademhaling de poort naar een dieper bewustzijn, naar het contact
met de kracht die alles drijft. Het klinkt wellicht mystiek, maar
dagelijks stilstaan en merken hoe ik gedragen word door mijn
ademhaling helpt me om de dingen vanuit het juiste perspectief te
zien. Het maakt dat ik mezelf even vergeet en merk dat dat niet erg
is. Ademen gebeurt hoe dan ook wel. En als mijn lijf ooit stopt met
ademen, hoef ik me nergens zorgen om te maken. Ik ben dan meteen
verdwenen.
(De geciteerde zin
komt uit 'Zen in de kunst van het boogschieten', van Eugen Herrigel.
Informatie over genen en de theorie van het zelfzuchtige gen komt uit
'The selfish gene' van Richard Dawkins.)
zondag 7 oktober 2012
Een ander licht
Wanneer ik mediteer, kijk ik vijfentwintig minuten lang naar de vloer. Soms vergeet ik dat ik daarnaar kijk en soms ga ik wazig zien - dan vergeet ik waarschijnlijk dat ik ogen heb. Deze week gebeurde er iets vreemds tijdens mijn meditatie. Na een minuut of tien gezeten te hebben, zag ik het gezicht van de duivel naar voren komen. Hij zat daar in het houtpatroon en keek me aan alsof hij me iets duidelijk moest maken. Misschien was hij daar door god geplaatst als hint: het pad dat je volgt is het pad van de duivel. Stop met zenmeditatie en alles wat daarbij hoort en bekeer je tot het ware geloof. Stop voordat het te laat is en de duivel zich definitief in je genesteld heeft. Ik had me op dat moment moeten bekeren. Dan had ik nu het verhaal van mijn openbaring met de wereld kunnen delen. Ik zou dan zelfs mijn zolderkamer tot een bedevaartsoord kunnen maken en voortaan van de entreegelden kunnen leven.
In plaats van mijn meditatiehouding in een loof-de-heer houding te veranderen, ben ik blijven zitten. Ik bleef kijken naar het gezicht van de duivel en realiseerde me plotseling dat het niet het hele gezicht was. Ik zag alleen de linkerhelft. Het gezicht werd doormidden gekliefd doordat de vloerplank met het houtpatroon ophield en er een nieuwe plank begon. Desalniettemin had ik de duivel gezien. Hoe langer ik bleef kijken en bleef proberen terug te keren naar het zien van een betekenisloos houtpatroon, hoe meer het gezicht - ook al was het maar de helft - zich in mijn hoofd wist te nestelen. Ik kreeg het niet meer weg. Het zou het werk van de duivel kunnen zijn, als ik niet wist dat het nu eenmaal moeilijk is om een eenmaal gegeven betekenis weer uit te wissen.
Uiteindelijk wist ik door te dringen. Niet terug naar hoe het was toen ik nog niets zag in de vloer, maar erdoorheen. Ik realiseerde me dat het niet eens echt hout was. Het was laminaat. Iets van kunststof, gemaakt in een fabriek. Gemaakt van miljarden moleculen, die weer van nog meer atomen gemaakt waren. En daarin zat protonen, elektronen en misschien op een nog dieper nivo wel dingen die wij nog niet kennen. In ieder geval begon ik de energie te zien waaruit het bestond en voelde ik dat het in wezen niets anders was dan datgene waar alles - inclusief mezelf - uit bestaat. Ik transcendeerde en keerde daarna terug tot mezelf. Een prettige ervaring. Helaas zag ik daarna opnieuw de duivelskop.
Het is heel normaal om ergens betekenis aan te geven. Zonder betekenis zouden we niets meer dan instinctieve dieren zijn, zonder taal of doel. Maar wat als Jezus geen betekenis gegeven had aan de beelden van de duivel die zich aan hem opdrongen tijdens de veertig dagen en nachten vasten in de woestijn? Zou ik dan nu de duivel zien of zouden het slechts houtpatronen zijn? Ik neig sterk naar de houtpatronen. Sinds ik aan zen doe ben ik ervan overtuigd dat het verlenen van betekenis aan de dingen om je heen, van een verkeerde betekenis, een van de ergste dingen is die er zijn. Het vertroebelt je blik op de werkelijkheid. Hoe moeilijk het ook is, wanneer je de betekenis afbreekt zie je de werkelijkheid zoals die is. En in werkelijkheid is er geen goed en kwaad. Zo hebben wij alleen de wereld verdeeld, met alle gevolgen van dien.
De volgende dag mediteerde ik weer. Het gezicht van de duivel was weg. Ik had gewild dat het door mijn meditatie kwam, dat ik het vuile filter van de betekenis wat schoon had weten te poetsen. Helaas denk ik dat het gewoon door een andere lichtinval kwam. Evengoed ben ik blij dat het houtpatroon weer een houtpatroon is, ook in mijn hoofd.
In plaats van mijn meditatiehouding in een loof-de-heer houding te veranderen, ben ik blijven zitten. Ik bleef kijken naar het gezicht van de duivel en realiseerde me plotseling dat het niet het hele gezicht was. Ik zag alleen de linkerhelft. Het gezicht werd doormidden gekliefd doordat de vloerplank met het houtpatroon ophield en er een nieuwe plank begon. Desalniettemin had ik de duivel gezien. Hoe langer ik bleef kijken en bleef proberen terug te keren naar het zien van een betekenisloos houtpatroon, hoe meer het gezicht - ook al was het maar de helft - zich in mijn hoofd wist te nestelen. Ik kreeg het niet meer weg. Het zou het werk van de duivel kunnen zijn, als ik niet wist dat het nu eenmaal moeilijk is om een eenmaal gegeven betekenis weer uit te wissen.
Uiteindelijk wist ik door te dringen. Niet terug naar hoe het was toen ik nog niets zag in de vloer, maar erdoorheen. Ik realiseerde me dat het niet eens echt hout was. Het was laminaat. Iets van kunststof, gemaakt in een fabriek. Gemaakt van miljarden moleculen, die weer van nog meer atomen gemaakt waren. En daarin zat protonen, elektronen en misschien op een nog dieper nivo wel dingen die wij nog niet kennen. In ieder geval begon ik de energie te zien waaruit het bestond en voelde ik dat het in wezen niets anders was dan datgene waar alles - inclusief mezelf - uit bestaat. Ik transcendeerde en keerde daarna terug tot mezelf. Een prettige ervaring. Helaas zag ik daarna opnieuw de duivelskop.
Het is heel normaal om ergens betekenis aan te geven. Zonder betekenis zouden we niets meer dan instinctieve dieren zijn, zonder taal of doel. Maar wat als Jezus geen betekenis gegeven had aan de beelden van de duivel die zich aan hem opdrongen tijdens de veertig dagen en nachten vasten in de woestijn? Zou ik dan nu de duivel zien of zouden het slechts houtpatronen zijn? Ik neig sterk naar de houtpatronen. Sinds ik aan zen doe ben ik ervan overtuigd dat het verlenen van betekenis aan de dingen om je heen, van een verkeerde betekenis, een van de ergste dingen is die er zijn. Het vertroebelt je blik op de werkelijkheid. Hoe moeilijk het ook is, wanneer je de betekenis afbreekt zie je de werkelijkheid zoals die is. En in werkelijkheid is er geen goed en kwaad. Zo hebben wij alleen de wereld verdeeld, met alle gevolgen van dien.
De volgende dag mediteerde ik weer. Het gezicht van de duivel was weg. Ik had gewild dat het door mijn meditatie kwam, dat ik het vuile filter van de betekenis wat schoon had weten te poetsen. Helaas denk ik dat het gewoon door een andere lichtinval kwam. Evengoed ben ik blij dat het houtpatroon weer een houtpatroon is, ook in mijn hoofd.
maandag 1 oktober 2012
Woorden
Over woorden kan ik lang nadenken. Gewoon woorden. Wat ze zijn en wat ze doen. Met woorden kun je bouwen. Zinnen, verhalen, een zelfbeeld of een ander abstracte idee. In die zin ben ik een architect, net als iedereen. Ik bouw voortdurend iets van alles dat ik zie en meemaak: een huis waar ik de werkelijkheid vanuit bezie. Mijn huis is een klushuis. Naarmate ik ouder word besteed ik vooral tijd aan de afwerking, maar soms plaats ik - radicaal - een uitbouw of sloop ik een dakkapel eraf. Het zou niet meevallen om het ooit helemaal tegen de vlakte te gooien, alleen de fundering laten staan en een heel nieuw huis opbouwen. Je zou kunnen zeggen dat iemand die plots in god gaat geloven een heel nieuw huis bouwt op de oude palen. Een totaal nieuwe blik op het leven. Ik denk niet dat ik dat ooit ga doen, maar wie weet. Als ik het zou verwachten zou er eigenlijk nu al nieuwbouw plaatsvinden. Een erker van verwachting aan je oude huis, die je laat staan als je de rest afbreekt.
Het is wel prettig om je voor te stellen dat jouw huis het stevigst is, dat je altijd veilig en comfortabel naar buiten kunt kijken. Maar als je ooit naar buiten zou gaan zou je zien dat de muren toch wat minder dik lijken te zijn dan van binnen af bezien. Andere woorden kunnen het ineen doen storten. De meeste mensen gaan echter niet naar buiten. Die proberen alleen maar van binnenuit hun huis te verstevigen. Ze gebruiken bijvoorbeeld de populaire bouwstijl 'religie' als basis. Dat zijn huizen met maar één raampartij en die kijkt altijd op de kerk uit. Tegelijkertijd zijn er mensen die atheïsme in hun huis verwerken. Alhoewel ik daar zelf gebruik maak, is het een wat saaie stijl die weinig opsmuk duldt. En om de een of andere reden komt er altijd water door het dak. Zo is het altijd wat.
Waarom bouwen we deze huizen eigenlijk? Omdat we woorden hebben en het nu eenmaal kan? Om ons te beschermen tegen de moeilijke dingen in het leven, de regen en de wind of de brandende zon? Geen enkel woord is voor altijd bestand tegen de elementen. Zelfs als je een bliksemafleider - zoals 'hiernamaals' - op je dak plaatst, kun je door de bliksem worden getroffen. En hoe kunnen die elf letters van 'hiernamaals' je dan beschermen tegen de kracht van de natuur? Het heeft geen zin. Je kunt wel constant aan je huis werken om alles veilig en op orde te krijgen, maar dat betekent dat je nooit rust zult hebben. Altijd in de weer met kwasten of een boormachine. En dat voor een huis dat onherroepelijk in zal storten. Misschien niet nu, maar ooit zeker. Tenslotte zijn de muren dunner dan je denkt.
Wat gebeurt er als je de woorden laat gaan? Als je gewoon gaat zitten in je huis en kijkt hoe het behang van de muren krult, de kozijnen wegrotten en de muren langzaam afbrokkelen? Je zult op je handen moeten gaan zitten om je te bedwingen op te ruimen en opnieuw te gaan bouwen. Zitten tot er er geen muur meer overeind staat. Dan heb je vrij uitzicht naar alle kanten.
Ik probeer al een tijdje op mijn handen te blijven zitten. Dat valt niet mee. Zo'n huis stort maar heel langzaam in. Het is een proeve in zelfbeheersing en geduld. Tot nu toe is er alleen nog maar een raam uit de sponning gevallen - omdat ik het niet goed vastgemaakt had. De wind heeft vrij spel en soms regent het naar binnen. In het begin had ik het stervenskoud, maar na een tijdje ging dat weg. De woorden om de kou te beschrijven waren door het raam gevlogen en verdwenen. Ze hebben een stukje van het 'zelf' meegenomen, het stukje dat kou kan lijden. Zo heeft het probleem zichzelf opgelost.
Het is wel prettig om je voor te stellen dat jouw huis het stevigst is, dat je altijd veilig en comfortabel naar buiten kunt kijken. Maar als je ooit naar buiten zou gaan zou je zien dat de muren toch wat minder dik lijken te zijn dan van binnen af bezien. Andere woorden kunnen het ineen doen storten. De meeste mensen gaan echter niet naar buiten. Die proberen alleen maar van binnenuit hun huis te verstevigen. Ze gebruiken bijvoorbeeld de populaire bouwstijl 'religie' als basis. Dat zijn huizen met maar één raampartij en die kijkt altijd op de kerk uit. Tegelijkertijd zijn er mensen die atheïsme in hun huis verwerken. Alhoewel ik daar zelf gebruik maak, is het een wat saaie stijl die weinig opsmuk duldt. En om de een of andere reden komt er altijd water door het dak. Zo is het altijd wat.
Waarom bouwen we deze huizen eigenlijk? Omdat we woorden hebben en het nu eenmaal kan? Om ons te beschermen tegen de moeilijke dingen in het leven, de regen en de wind of de brandende zon? Geen enkel woord is voor altijd bestand tegen de elementen. Zelfs als je een bliksemafleider - zoals 'hiernamaals' - op je dak plaatst, kun je door de bliksem worden getroffen. En hoe kunnen die elf letters van 'hiernamaals' je dan beschermen tegen de kracht van de natuur? Het heeft geen zin. Je kunt wel constant aan je huis werken om alles veilig en op orde te krijgen, maar dat betekent dat je nooit rust zult hebben. Altijd in de weer met kwasten of een boormachine. En dat voor een huis dat onherroepelijk in zal storten. Misschien niet nu, maar ooit zeker. Tenslotte zijn de muren dunner dan je denkt.
Wat gebeurt er als je de woorden laat gaan? Als je gewoon gaat zitten in je huis en kijkt hoe het behang van de muren krult, de kozijnen wegrotten en de muren langzaam afbrokkelen? Je zult op je handen moeten gaan zitten om je te bedwingen op te ruimen en opnieuw te gaan bouwen. Zitten tot er er geen muur meer overeind staat. Dan heb je vrij uitzicht naar alle kanten.
Ik probeer al een tijdje op mijn handen te blijven zitten. Dat valt niet mee. Zo'n huis stort maar heel langzaam in. Het is een proeve in zelfbeheersing en geduld. Tot nu toe is er alleen nog maar een raam uit de sponning gevallen - omdat ik het niet goed vastgemaakt had. De wind heeft vrij spel en soms regent het naar binnen. In het begin had ik het stervenskoud, maar na een tijdje ging dat weg. De woorden om de kou te beschrijven waren door het raam gevlogen en verdwenen. Ze hebben een stukje van het 'zelf' meegenomen, het stukje dat kou kan lijden. Zo heeft het probleem zichzelf opgelost.
Afbraak
Wanneer ik naar reclames op t.v. kijk, lijkt het alsof ik continu
de boodschap krijg: zo moet je zijn. Spuit dit luchtje op en word net zo
mysterieus als dit model. Dan wil iedereen je. Of drink dit bier en
word de man die je diep van binnen al bent. Alsof het gebruik van een
product mijn identiteit zou kunnen veranderen, denk ik dan smalend. Het
bier eindigt ontdaan van alle alcohol in het toilet en het luchtje is al
na een dag vervlogen. Heeft het in de tussentijd iets gedaan met wie ik
ben? Ik zou het liefst zeggen van niet, maar als ik eerlijk ben denk ik
dat het wel iets doet. Het helpt in ieder geval met het verschaffen van
een gevoel van identiteit. Ik drink nu dit bier en iemand anders drinkt
dit bier nu niet. Dat is een onderscheid. Alles wat me onderscheidt van
anderen, geeft mijn eigen identiteit vorm.
Reclames ergeren me. Ze spelen continu in op het verlangen iemand anders te zijn dan je bent. En dat terwijl ik niet eens zou kunnen zeggen wie ik nú ben. Hoe kan ik dan iets anders willen zijn? Ik ken mijn vertrekpunt niet goed genoeg om ergens anders heen te willen. Moet ik niet eerst beter om me heen kijken en mezelf leren kennen? Dat is de vraag. Wie ik ben houdt me bezig, maar dat betekent niet dat er een antwoord is. In ieder geval geen antwoord dat in woorden valt te vatten, zoals ik in mijn vorige bericht al schreef. Ook al heb je een verzameling eigenschappen – slim, grappig, lui, slordig – in je hoofd, het zijn maar woorden. Het gaat er mij niet zozeer om wie ik ben, maar wát ik is. Identiteit is meer dan een hoop regels over jezelf. Het is een gevoel, iets subjectiefs. Maar dat maakt het juist zo lastig, want op die manier is ‘ik’ altijd iets anders. Een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf. Dat ben ik. Aangenaam.
Wanneer iemand je naar je karakter vraagt, is het niet erg praktisch om te antwoorden met: ‘Ik ben een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf.’ Het heeft een reden dat we onszelf willen omschrijven, dat we het gevoel van ‘ik’ onder woorden willen brengen. Je zou nergens aangenomen worden als je niet kunt zeggen wat je goed en minder goed kunt. Maar woorden binden. Wie ik nu ben, ben ik morgen niet meer. En vandaag ben ik iemand anders dan tien jaar geleden. Toch ben ik geneigd om een woord dat ooit bij mij hoorde, voor altijd bij me te willen houden. Het geeft een gevoel van vastigheid, een stevig rotsblok dat ik vast kan houden. Een woord of zin over mezelf – ik kan goed schrijven – legt iets vast en helpt me om verder te bouwen aan mijn identiteit – ik ben een schrijver! Uiteindelijk word ik toch weer een bouwwerk van woorden. En dat terwijl woorden slechts symbolen zijn voor datgene wat ik niet op een andere manier uit kan drukken. Ze zijn vluchtig en nauwelijks geschikt om iets van te bouwen. Waarom gebruik ik ze dan toch daarvoor?
Het is hier en nu – 2012 in het Westen – heel belangrijk om jezelf te zijn. Wat het betekent weet ik niet, maar ‘jezelf zijn’ wordt in mening tijdschrift als het hoogste goed beschouwd. Van jongs af aan worden ons al eigenschappen opgeplakt en leren we hoe we onszelf moeten omschrijven. Een individualistische cultuur, waar zelfverwezenlijking het maximaal haalbare is. Ik wil iemand zijn en daarom bouw ik aan mezelf. Het is me ingeprent. De laatste tijd ben ik echter aan het afbreken. Als ik dan toch een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf ben, kan ik net zo goed stoppen te proberen mezelf onder woorden te brengen. Je kunt geen huis op een stroom bouwen. Mijn identiteit is vluchtig en geen doel op zich. Hooguit een idee dat ik soms nodig heb om te kunnen vertellen wie ik ben, maar dat me evengoed dwars kan zitten. Hoe vaak botst de werkelijkheid tenslotte niet met mijn beperkte idee van mijn identiteit? Daarom wil ik eigenlijk geen eigenschappen hebben als vaststaande regels in mijn hoofd. En ik wil zeker niet die man uit die reclame worden, of mezelf verwezenlijken – wat dat ook moge zijn. Ik wil elke dag zijn wie ik ben op dat moment en verder niets. Maar zelfs dat is een zin die mij kenmerkt en een identiteit aanmeet…
Het liefst wil ik mezelf vergeten.
(Oorspronkelijk op 17 september gepost)
Reclames ergeren me. Ze spelen continu in op het verlangen iemand anders te zijn dan je bent. En dat terwijl ik niet eens zou kunnen zeggen wie ik nú ben. Hoe kan ik dan iets anders willen zijn? Ik ken mijn vertrekpunt niet goed genoeg om ergens anders heen te willen. Moet ik niet eerst beter om me heen kijken en mezelf leren kennen? Dat is de vraag. Wie ik ben houdt me bezig, maar dat betekent niet dat er een antwoord is. In ieder geval geen antwoord dat in woorden valt te vatten, zoals ik in mijn vorige bericht al schreef. Ook al heb je een verzameling eigenschappen – slim, grappig, lui, slordig – in je hoofd, het zijn maar woorden. Het gaat er mij niet zozeer om wie ik ben, maar wát ik is. Identiteit is meer dan een hoop regels over jezelf. Het is een gevoel, iets subjectiefs. Maar dat maakt het juist zo lastig, want op die manier is ‘ik’ altijd iets anders. Een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf. Dat ben ik. Aangenaam.
Wanneer iemand je naar je karakter vraagt, is het niet erg praktisch om te antwoorden met: ‘Ik ben een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf.’ Het heeft een reden dat we onszelf willen omschrijven, dat we het gevoel van ‘ik’ onder woorden willen brengen. Je zou nergens aangenomen worden als je niet kunt zeggen wat je goed en minder goed kunt. Maar woorden binden. Wie ik nu ben, ben ik morgen niet meer. En vandaag ben ik iemand anders dan tien jaar geleden. Toch ben ik geneigd om een woord dat ooit bij mij hoorde, voor altijd bij me te willen houden. Het geeft een gevoel van vastigheid, een stevig rotsblok dat ik vast kan houden. Een woord of zin over mezelf – ik kan goed schrijven – legt iets vast en helpt me om verder te bouwen aan mijn identiteit – ik ben een schrijver! Uiteindelijk word ik toch weer een bouwwerk van woorden. En dat terwijl woorden slechts symbolen zijn voor datgene wat ik niet op een andere manier uit kan drukken. Ze zijn vluchtig en nauwelijks geschikt om iets van te bouwen. Waarom gebruik ik ze dan toch daarvoor?
Het is hier en nu – 2012 in het Westen – heel belangrijk om jezelf te zijn. Wat het betekent weet ik niet, maar ‘jezelf zijn’ wordt in mening tijdschrift als het hoogste goed beschouwd. Van jongs af aan worden ons al eigenschappen opgeplakt en leren we hoe we onszelf moeten omschrijven. Een individualistische cultuur, waar zelfverwezenlijking het maximaal haalbare is. Ik wil iemand zijn en daarom bouw ik aan mezelf. Het is me ingeprent. De laatste tijd ben ik echter aan het afbreken. Als ik dan toch een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf ben, kan ik net zo goed stoppen te proberen mezelf onder woorden te brengen. Je kunt geen huis op een stroom bouwen. Mijn identiteit is vluchtig en geen doel op zich. Hooguit een idee dat ik soms nodig heb om te kunnen vertellen wie ik ben, maar dat me evengoed dwars kan zitten. Hoe vaak botst de werkelijkheid tenslotte niet met mijn beperkte idee van mijn identiteit? Daarom wil ik eigenlijk geen eigenschappen hebben als vaststaande regels in mijn hoofd. En ik wil zeker niet die man uit die reclame worden, of mezelf verwezenlijken – wat dat ook moge zijn. Ik wil elke dag zijn wie ik ben op dat moment en verder niets. Maar zelfs dat is een zin die mij kenmerkt en een identiteit aanmeet…
Het liefst wil ik mezelf vergeten.
(Oorspronkelijk op 17 september gepost)
Een stukje vorm
Een tijd geleden heb ik een test gemaakt. Een test over mezelf. Ik
had er zin in, want ik dacht dat ik nu definitieve antwoorden zou
krijgen. Het liefst antwoorden weergegeven in duidelijke statistieken,
zodat er niets aan interpretatie over zou blijven. Dit ben je, zo zit je
in elkaar en hier staat het opgeschreven. Daar zou ik de rest van mijn
leven mee vooruit kunnen. Voortaan alles verklaarbaar.
De test bestond vooral uit heel veel vragen. Hoe graag ik met anderen omging, hoeveel vrienden ik had, hoe ik mezelf zag op dit en dat punt. Ik heb het ingevuld zonder er al te veel bij na te denken. Van nadenken ga je rare antwoorden geven.
Een paar weken later zat ik met een papier voor me met cirkeldiagrammen en grafieken. Alhoewel de onderzoekers me verzekerden dat het een uiterst valide test was en dat ik met een brede database vergeleken werd, kon ik er nauwelijks een mens van maken. Ik zag alleen maar statistieken. Ik had gekregen wat ik wilde en toch was ik nu een groter vraagteken dan voorheen. De periode erna was er een van verwarring.
Wat ik me vooral afvroeg was in hoeverre een test die gebruik maakt van vragen over jezelf ook echt meet hoe je bent. Want wie zegt dat ik niet een veel te positief zelfbeeld heb, wie zegt dat ik altijd eerlijk ben tegen mezelf? Of misschien zie ik mezelf veel negatiever dan anderen me zien. Hoe objectief kun je zijn over jezelf en daar vervolgens vragen over beantwoorden? Als je zelfbeeld altijd zou kloppen had ik geen test hoeven maken, dan had ik zelf antwoord kunnen geven op mijn eigen vragen. Zou het niet beter zijn als iedereen in mijn omgeving vragen over mij zou beantwoorden om de werkelijkheid goed weer te kunnen geven? En de antwoorden dan via een berekening middelen tot er één persoonsbeeld uitkomt. Dan zou ik alleen opnieuw worden weergegeven in statistieken. Opnieuw geen echt mens, maar een verzameling cijfers.
Na de nodige overpeinzingen realiseerde ik me dat ik het onmogelijke wil. Ik wil uit mezelf treden en van een afstand kunnen bekijken wie ik ben, aantekeningen maken, metingen doen, net zo lang tot er geen vragen meer zijn. Een test meet alleen een verzameling eigenschappen van jezelf. Ik wil juist de kern van mijn identiteit vast kunnen pakken, niet alles wat eromheen hangt. Maar ‘kern’ is niet het juiste woord. Het impliceert een onveranderlijk stukje mij. Een stilstaand ding dat ergens in me zit en wacht tot het ontdekt wordt – en dan komt alles goed. Ik heb ernaar gezocht, maar heb het niet gevonden. Het vreemde is dat ik dat eigenlijk altijd al wist. Als ik iemand hoor zeggen: ‘Ik kan absoluut niet tegen autoriteit’, of: ‘Ik ben ontzettend impulsief’, denk ik altijd: ‘Dat zal wel, je probeert jezelf gewoon vast te pinnen op een eigenschap.’ Niets is absoluut. Het zijn maar woorden.
Ik wilde mezelf kennen tot in een diepere laag, tot in de kern die alles aandrijft. Wat mij drijft is niet kenbaar, weet ik nu. Het is dat wat door me stroomt en altijd anders is. Het is zelfs niet echt van mij. Zo lang ik leef mag ik het gebruiken, net als ieder ander wezen. Je zou het de stroom van het leven kunnen noemen, de kracht die ervoor zorgt dat ieder atoom trilt. Want als alles van atomen is gemaakt, is alles onderhevig aan dezelfde kracht. Net als de tafel waar ik aan zit, de laptop waarop ik schrijf en de hond die aan mijn voeten ligt, ben ik slechts een manifestatie van de kracht die overal door vloeit. Als ik mediteer of door het bos wandel en zo’n moment heb waarop al mijn gedachten niets meer dan gedachten zijn, dan voel ik het heel eventjes. Mijn gedachten worden lichter en zweven weg. Wat er overblijft is de stuwende kracht. Op het moment dat ik het me realiseer is het gevoel weg en ben ‘ik’ er weer, inclusief ‘nog afwassen’ en ‘zo meteen naar m’n werk’. Mezelf kennen is onmogelijk, alleen mezelf ervaren kan. Dat is waarschijnlijk de reden dat ik niets kan met de statistieken uit mijn test. Het is een stukje van de vorm waar ik in gegoten ben. Ik moet de vorm niet leren kennen, ik moet de inhoud ervaren.
(Oorspronkelijk in augustus 2012 gepost)
De test bestond vooral uit heel veel vragen. Hoe graag ik met anderen omging, hoeveel vrienden ik had, hoe ik mezelf zag op dit en dat punt. Ik heb het ingevuld zonder er al te veel bij na te denken. Van nadenken ga je rare antwoorden geven.
Een paar weken later zat ik met een papier voor me met cirkeldiagrammen en grafieken. Alhoewel de onderzoekers me verzekerden dat het een uiterst valide test was en dat ik met een brede database vergeleken werd, kon ik er nauwelijks een mens van maken. Ik zag alleen maar statistieken. Ik had gekregen wat ik wilde en toch was ik nu een groter vraagteken dan voorheen. De periode erna was er een van verwarring.
Wat ik me vooral afvroeg was in hoeverre een test die gebruik maakt van vragen over jezelf ook echt meet hoe je bent. Want wie zegt dat ik niet een veel te positief zelfbeeld heb, wie zegt dat ik altijd eerlijk ben tegen mezelf? Of misschien zie ik mezelf veel negatiever dan anderen me zien. Hoe objectief kun je zijn over jezelf en daar vervolgens vragen over beantwoorden? Als je zelfbeeld altijd zou kloppen had ik geen test hoeven maken, dan had ik zelf antwoord kunnen geven op mijn eigen vragen. Zou het niet beter zijn als iedereen in mijn omgeving vragen over mij zou beantwoorden om de werkelijkheid goed weer te kunnen geven? En de antwoorden dan via een berekening middelen tot er één persoonsbeeld uitkomt. Dan zou ik alleen opnieuw worden weergegeven in statistieken. Opnieuw geen echt mens, maar een verzameling cijfers.
Na de nodige overpeinzingen realiseerde ik me dat ik het onmogelijke wil. Ik wil uit mezelf treden en van een afstand kunnen bekijken wie ik ben, aantekeningen maken, metingen doen, net zo lang tot er geen vragen meer zijn. Een test meet alleen een verzameling eigenschappen van jezelf. Ik wil juist de kern van mijn identiteit vast kunnen pakken, niet alles wat eromheen hangt. Maar ‘kern’ is niet het juiste woord. Het impliceert een onveranderlijk stukje mij. Een stilstaand ding dat ergens in me zit en wacht tot het ontdekt wordt – en dan komt alles goed. Ik heb ernaar gezocht, maar heb het niet gevonden. Het vreemde is dat ik dat eigenlijk altijd al wist. Als ik iemand hoor zeggen: ‘Ik kan absoluut niet tegen autoriteit’, of: ‘Ik ben ontzettend impulsief’, denk ik altijd: ‘Dat zal wel, je probeert jezelf gewoon vast te pinnen op een eigenschap.’ Niets is absoluut. Het zijn maar woorden.
Ik wilde mezelf kennen tot in een diepere laag, tot in de kern die alles aandrijft. Wat mij drijft is niet kenbaar, weet ik nu. Het is dat wat door me stroomt en altijd anders is. Het is zelfs niet echt van mij. Zo lang ik leef mag ik het gebruiken, net als ieder ander wezen. Je zou het de stroom van het leven kunnen noemen, de kracht die ervoor zorgt dat ieder atoom trilt. Want als alles van atomen is gemaakt, is alles onderhevig aan dezelfde kracht. Net als de tafel waar ik aan zit, de laptop waarop ik schrijf en de hond die aan mijn voeten ligt, ben ik slechts een manifestatie van de kracht die overal door vloeit. Als ik mediteer of door het bos wandel en zo’n moment heb waarop al mijn gedachten niets meer dan gedachten zijn, dan voel ik het heel eventjes. Mijn gedachten worden lichter en zweven weg. Wat er overblijft is de stuwende kracht. Op het moment dat ik het me realiseer is het gevoel weg en ben ‘ik’ er weer, inclusief ‘nog afwassen’ en ‘zo meteen naar m’n werk’. Mezelf kennen is onmogelijk, alleen mezelf ervaren kan. Dat is waarschijnlijk de reden dat ik niets kan met de statistieken uit mijn test. Het is een stukje van de vorm waar ik in gegoten ben. Ik moet de vorm niet leren kennen, ik moet de inhoud ervaren.
(Oorspronkelijk in augustus 2012 gepost)
Prepare to die
Sinds deze week lukt het me meneer Visser – zie vorige bericht – wat
vaker het zwijgen op te leggen. Hij slokt niet al mijn aandacht meer op
en zodoende heb ik tijd voor andere dingen. Bijvoorbeeld voor niets. Een
halfuur zitten in meditatieve toestand en ervaren dat alles wat ik denk
een illusie is. Alleen het hier en nu is van belang en al het andere –
de ideeën die ik heb verzameld over mezelf en de wereld – schuiven naar
achteren. Zie wat er is, niet wat je zou willen zien. Dat is zen.
Meneer Visser is allesbehalve zen. Hij is degene die me vol stopt met ideeën over wie ik ben en wie ik zou moeten zijn. Vooral wie ik zou moeten zijn, want wie ik ben is nooit oké. Door te zitten in het hier en nu – zenmeditatie – voel je langzaam alle oordelen over jezelf en anderen van je afglijden. De woorden van meneer Visser liggen daar als stenen. Je kunt ze oppakken en op je tenen laten vallen. Dan doen ze pijn. Je kunt ze ook laten liggen. Dan zijn het gewoon stenen.
Het klinkt makkelijker dan het is. Om verder te komen met zen, is het belangrijk om dagelijks te mediteren. Het liefst tweemaal twintig minuten op een dag. Daarnaast moet zen je leven gaan doordringen, zodat je de dagelijkse frustraties en angsten beter de baas kunt. Ze zijn er gewoon. Beleef ze op het moment en laat ze daarna gaan. Maak ze niet groter dan ze zijn.
Helaas mediteer ik niet zo vaak als ik zou moeten. Een halfuurtje per twee dagen misschien. Ik zou mezelf streng kunnen toespreken voor dit ernstig gebrek aan discipline, maar sinds kort heb ik een andere manier bedacht om zen te beoefenen. Een manier die net als zen uit Japan komt: Dark Souls.
De slogan waarmee Dark Souls gelanceerd werd, luidt: ‘Prepare to die.’ In Dark Souls ga je vaker dan in welke andere moderne game dood. Waar de huidige generatie games zich richt op een Hollywoodervaring van de gamer – inclusief het overleven van een ongeloofwaardige hoeveelheid vijandig vuur en het eigenhandig verslaan van een heel leger – ben je in Dark Souls slechts een van de velen in een wereld die er niet om maalt of je leeft of sterft. Het draait niet om jou. Je komt op bezoek, je sterft en laat op die plek bij wijze van grafsteen je moeizaam verzamelde ‘souls’ liggen. Het hele godganse rotstuk kun je opnieuw doen om er weer bij te komen. Als je pech hebt sterf je voortijdig nog een keer en ben je alles voorgoed kwijt. Uren ploeteren door donkere kerkers en zompige moerassen voor niets. Ik schreeuw het uit tijdens het spelen van Dark Souls. Achter iedere hoek kan de dood liggen. De enige manier om er écht doorheen te komen, is diep ademhalen en je proberen te realiseren dat het maar pixels zijn. Het is niet echt. Het is een illusie. Zelfs de dood is een illusie. Alle frustratie die je voelt als je zojuist in tweeën gehakt bent door een vijand die je al zo vaak verslagen hebt – hij kwam uit onverwachte hoek dit keer – die is er ook in het echte leven. En ook daar levert het je niets op.
Zen is met iedere inademing geboren worden en sterven met iedere uitademing. Leven en dood zijn twee kanten van dezelfde medaille. In Dark Souls moet je dood gaan om verder te komen, om te kunnen leven. Het is de ultieme zenoefening in de 21e eeuw. Misschien dat ik ooit de discipline krijg om tweemaal daags te mediteren, maar voorlopig kan ik nog vooruit met Dark Souls.
(Oorspronkelijk gepost op 21 juni 2012)
Meneer Visser is allesbehalve zen. Hij is degene die me vol stopt met ideeën over wie ik ben en wie ik zou moeten zijn. Vooral wie ik zou moeten zijn, want wie ik ben is nooit oké. Door te zitten in het hier en nu – zenmeditatie – voel je langzaam alle oordelen over jezelf en anderen van je afglijden. De woorden van meneer Visser liggen daar als stenen. Je kunt ze oppakken en op je tenen laten vallen. Dan doen ze pijn. Je kunt ze ook laten liggen. Dan zijn het gewoon stenen.
Het klinkt makkelijker dan het is. Om verder te komen met zen, is het belangrijk om dagelijks te mediteren. Het liefst tweemaal twintig minuten op een dag. Daarnaast moet zen je leven gaan doordringen, zodat je de dagelijkse frustraties en angsten beter de baas kunt. Ze zijn er gewoon. Beleef ze op het moment en laat ze daarna gaan. Maak ze niet groter dan ze zijn.
Helaas mediteer ik niet zo vaak als ik zou moeten. Een halfuurtje per twee dagen misschien. Ik zou mezelf streng kunnen toespreken voor dit ernstig gebrek aan discipline, maar sinds kort heb ik een andere manier bedacht om zen te beoefenen. Een manier die net als zen uit Japan komt: Dark Souls.
De slogan waarmee Dark Souls gelanceerd werd, luidt: ‘Prepare to die.’ In Dark Souls ga je vaker dan in welke andere moderne game dood. Waar de huidige generatie games zich richt op een Hollywoodervaring van de gamer – inclusief het overleven van een ongeloofwaardige hoeveelheid vijandig vuur en het eigenhandig verslaan van een heel leger – ben je in Dark Souls slechts een van de velen in een wereld die er niet om maalt of je leeft of sterft. Het draait niet om jou. Je komt op bezoek, je sterft en laat op die plek bij wijze van grafsteen je moeizaam verzamelde ‘souls’ liggen. Het hele godganse rotstuk kun je opnieuw doen om er weer bij te komen. Als je pech hebt sterf je voortijdig nog een keer en ben je alles voorgoed kwijt. Uren ploeteren door donkere kerkers en zompige moerassen voor niets. Ik schreeuw het uit tijdens het spelen van Dark Souls. Achter iedere hoek kan de dood liggen. De enige manier om er écht doorheen te komen, is diep ademhalen en je proberen te realiseren dat het maar pixels zijn. Het is niet echt. Het is een illusie. Zelfs de dood is een illusie. Alle frustratie die je voelt als je zojuist in tweeën gehakt bent door een vijand die je al zo vaak verslagen hebt – hij kwam uit onverwachte hoek dit keer – die is er ook in het echte leven. En ook daar levert het je niets op.
Zen is met iedere inademing geboren worden en sterven met iedere uitademing. Leven en dood zijn twee kanten van dezelfde medaille. In Dark Souls moet je dood gaan om verder te komen, om te kunnen leven. Het is de ultieme zenoefening in de 21e eeuw. Misschien dat ik ooit de discipline krijg om tweemaal daags te mediteren, maar voorlopig kan ik nog vooruit met Dark Souls.
(Oorspronkelijk gepost op 21 juni 2012)
Meneer Vissers kampvuur
Vannacht was weer een nacht van wakker liggen. Denken dat lijkt op
dromen, maar wat toch echt denken is. En dan ineens dat moment – het
dieptepunt – waarop je beseft dat je wakker ligt. Dat het alweer
halverwege de nacht is. Nog even en de hanen kraaien. Alweer een kans
verspeeld.
Iemand noemde het de ‘twilight zone’. De grens waarop denken en dromen elkaar raken. Normaal duurt die schemerzone niet zo lang. Gewoon het station dat je passeert halverwege dromenland. Daar hoor je niet uit te stappen. Het is er kil.
Ik stap meestal uit op dat station. Terwijl anderen in de trein blijven zitten en nauwelijks doorhebben dat er een korte stop plaatsvindt, ben ik mij altijd zeer bewust van station ‘Schemerzone’. Maar ik wil niet uitstappen. Met alles wat ik heb probeer ik in die trein te blijven. Ik houd me vast aan mijn stoel en pers mijn oogleden toe. ‘We zijn er nog niet,’ zeg ik tegen mezelf, ‘het moet nog komen.’ Tot ik die fluisterende stem hoor: ‘Station Schemerzone, hier uitstappen.’ Zo zacht dat bijna niemand het hoort. En voor ik het weet sta ik op een guur perron en kijk ik hoe de trein langzaam optrekt en in een dikke mist verdwijnt.
Station Schemerzone is geen mooi station. Het heeft geen houten wachtruimte van honderd jaar oud en ook geen high-tech overkapping van wit gespoten staal. Als het er regent, word je nat. Ruwhouten kratten vol met troep staan her en der verspreid. Achtergelaten door mijn voorgangers, of door mij bij een vorige reis. Het hout splintert. Ik moet er met een boog omheen lopen. En wat er in die kratten zit, dat wil je eigenlijk niet weten.
Achter het perron is alleen een trapje naar beneden. Vier treden tot ik met mijn voeten in de zompige modder zak. Aan de andere kant van het station hoor ik een volgende trein stoppen. Het maakt niet uit. Ze laten me toch niet meer naar binnen. Hij vertrekt alweer, terwijl ik verder ploeter.
Verderop brandt een vuurtje. Dat is eigenlijk de enige plek waar je in Schemerzone naartoe kunt. Je kunt je warmen aan het vuur van meneer Visser. Hij zit zo’n twintig meter verder op een krukje. Voor hem brandt het vuur en achter hem begint de muur van mist. Ondoordringbaar. Ik heb een trein nodig om daarin door te dringen.
Meneer Visser nodigt me uit. Ik mag gaan zitten bij het vuur, zolang ik weet wat de voorwaarde is. Hij praat, ik luister. Ik zou wel weg willen lopen, maar ik zit voordat ik er erg in heb. En dan begint het.
Meneer Visser weet het. Iedere zwakke plek in mijn karakter kent hij. Alles waar ik over twijfel en wat ik wel/niet anders had moeten doen, hij weet het. Ieder moeizaam verworven stukje zelfkennis wordt onder zijn vergrootglas gelegd en verschroeid tot er nauwelijks meer iets over is. Hij praat en praat en al die woorden hollen me van binnen uit.
Als hij klaar is ben ik leeg. Hij knikt tevreden. Ik hoor in de verte een haan kraaien en weet dat het tijd is terug te gaan. Zo meteen komt de trein weer uit de mist opdoemen. Op de terugweg is er altijd plaats voor mij.
‘Tot morgen’, zegt meneer Visser.
Ik zeg niets.
(Oorspronkelijk gepost in juni 2012)
Iemand noemde het de ‘twilight zone’. De grens waarop denken en dromen elkaar raken. Normaal duurt die schemerzone niet zo lang. Gewoon het station dat je passeert halverwege dromenland. Daar hoor je niet uit te stappen. Het is er kil.
Ik stap meestal uit op dat station. Terwijl anderen in de trein blijven zitten en nauwelijks doorhebben dat er een korte stop plaatsvindt, ben ik mij altijd zeer bewust van station ‘Schemerzone’. Maar ik wil niet uitstappen. Met alles wat ik heb probeer ik in die trein te blijven. Ik houd me vast aan mijn stoel en pers mijn oogleden toe. ‘We zijn er nog niet,’ zeg ik tegen mezelf, ‘het moet nog komen.’ Tot ik die fluisterende stem hoor: ‘Station Schemerzone, hier uitstappen.’ Zo zacht dat bijna niemand het hoort. En voor ik het weet sta ik op een guur perron en kijk ik hoe de trein langzaam optrekt en in een dikke mist verdwijnt.
Station Schemerzone is geen mooi station. Het heeft geen houten wachtruimte van honderd jaar oud en ook geen high-tech overkapping van wit gespoten staal. Als het er regent, word je nat. Ruwhouten kratten vol met troep staan her en der verspreid. Achtergelaten door mijn voorgangers, of door mij bij een vorige reis. Het hout splintert. Ik moet er met een boog omheen lopen. En wat er in die kratten zit, dat wil je eigenlijk niet weten.
Achter het perron is alleen een trapje naar beneden. Vier treden tot ik met mijn voeten in de zompige modder zak. Aan de andere kant van het station hoor ik een volgende trein stoppen. Het maakt niet uit. Ze laten me toch niet meer naar binnen. Hij vertrekt alweer, terwijl ik verder ploeter.
Verderop brandt een vuurtje. Dat is eigenlijk de enige plek waar je in Schemerzone naartoe kunt. Je kunt je warmen aan het vuur van meneer Visser. Hij zit zo’n twintig meter verder op een krukje. Voor hem brandt het vuur en achter hem begint de muur van mist. Ondoordringbaar. Ik heb een trein nodig om daarin door te dringen.
Meneer Visser nodigt me uit. Ik mag gaan zitten bij het vuur, zolang ik weet wat de voorwaarde is. Hij praat, ik luister. Ik zou wel weg willen lopen, maar ik zit voordat ik er erg in heb. En dan begint het.
Meneer Visser weet het. Iedere zwakke plek in mijn karakter kent hij. Alles waar ik over twijfel en wat ik wel/niet anders had moeten doen, hij weet het. Ieder moeizaam verworven stukje zelfkennis wordt onder zijn vergrootglas gelegd en verschroeid tot er nauwelijks meer iets over is. Hij praat en praat en al die woorden hollen me van binnen uit.
Als hij klaar is ben ik leeg. Hij knikt tevreden. Ik hoor in de verte een haan kraaien en weet dat het tijd is terug te gaan. Zo meteen komt de trein weer uit de mist opdoemen. Op de terugweg is er altijd plaats voor mij.
‘Tot morgen’, zegt meneer Visser.
Ik zeg niets.
(Oorspronkelijk gepost in juni 2012)
woensdag 26 september 2012
Zie mij...
Vanaf vandaag houd ik een blog bij. Waarom eigenlijk? Ik vraag het me meteen af na het lezen van de eerste zin. De halve wereld blogt. Laatst las ik er een van dinges, een moeder van twee kinderen, die het verhaal vertelde van haar ene kind dat ziek werd. En dat was nog niet alles, een dag daarna was haar tweede kind ook ziek. Dat was de clou van het verhaal. Foto's erbij, zodat de lezer een en ander kon visualiseren. Wat een verhaal. De wereld verdient het dit te weten en kijk aan: het is niet ongezien gebleven. Nu kunnen we rustig gaan slapen.
Wanneer ik zoiets lees, word ik altijd overvallen door een paradoxaal gevoel. Vrolijkheid om de eenvoud van het bericht. Is er iemand echt zo dom om te denken dat dit op internet vereeuwigd dient te worden? Ik kan er hard om lachen. Maar als ik mezelf hoor lachen, komt er meteen een hol gevoel op. Waarom zou het er niet op mogen staan? Wat is er dan wel de moeite van het vereeuwigen waard? En wie ben ik om hierover te oordelen? Heb ik dan méér te melden? En zou dat uit moeten maken? Is er een universele meetlat waarlangs wij meten wat wel en niet van waarde is? En is een moeder die zo ongedwongen over haar kinderen schrijft niet van veel grotere waarde dan mijn eigen filosofisch gezanik? Kortom: wie zou er hier om wie moeten lachen?
Iedere keer als ik me dit soort vragen ga stellen, kom ik terecht in een maalstroom. De vragen blijven stromen. Wanneer ik middenin die stroom sta, blijft er steeds minder van me over. Iedere vraag trekt een stukje van mezelf mee; dingen die ik zeker dacht te weten, zijn niet langer zeker. Zo blijft er steeds minder 'ik' over.
De laatste tijd is het alsof de maalstroom sterker wordt. Ik dacht dat ik in de loop der jaren van mijn 'ik' een stevig rotsblok gemaakt had. Toch heb ik steeds meer moeite om me vast te houden. Schrijf ik daarom deze blog? Een stukje 'ik', vereeuwigd op het net, zodat ik me er altijd aan vast kan houden als het nodig is. Niet voor de wereld, maar voor mezelf.
Waarschijnlijk is er niet zo veel verschil tussen mij, die moeder en de rest van de bloggers. Alleen als anderen je zien, kun je een 'ik' zijn.
(oorspronkelijk in juni 2012 geschreven)
Wanneer ik zoiets lees, word ik altijd overvallen door een paradoxaal gevoel. Vrolijkheid om de eenvoud van het bericht. Is er iemand echt zo dom om te denken dat dit op internet vereeuwigd dient te worden? Ik kan er hard om lachen. Maar als ik mezelf hoor lachen, komt er meteen een hol gevoel op. Waarom zou het er niet op mogen staan? Wat is er dan wel de moeite van het vereeuwigen waard? En wie ben ik om hierover te oordelen? Heb ik dan méér te melden? En zou dat uit moeten maken? Is er een universele meetlat waarlangs wij meten wat wel en niet van waarde is? En is een moeder die zo ongedwongen over haar kinderen schrijft niet van veel grotere waarde dan mijn eigen filosofisch gezanik? Kortom: wie zou er hier om wie moeten lachen?
Iedere keer als ik me dit soort vragen ga stellen, kom ik terecht in een maalstroom. De vragen blijven stromen. Wanneer ik middenin die stroom sta, blijft er steeds minder van me over. Iedere vraag trekt een stukje van mezelf mee; dingen die ik zeker dacht te weten, zijn niet langer zeker. Zo blijft er steeds minder 'ik' over.
De laatste tijd is het alsof de maalstroom sterker wordt. Ik dacht dat ik in de loop der jaren van mijn 'ik' een stevig rotsblok gemaakt had. Toch heb ik steeds meer moeite om me vast te houden. Schrijf ik daarom deze blog? Een stukje 'ik', vereeuwigd op het net, zodat ik me er altijd aan vast kan houden als het nodig is. Niet voor de wereld, maar voor mezelf.
Waarschijnlijk is er niet zo veel verschil tussen mij, die moeder en de rest van de bloggers. Alleen als anderen je zien, kun je een 'ik' zijn.
(oorspronkelijk in juni 2012 geschreven)
Abonneren op:
Reacties (Atom)