Een tijd geleden heb ik een test gemaakt. Een test over mezelf. Ik
had er zin in, want ik dacht dat ik nu definitieve antwoorden zou
krijgen. Het liefst antwoorden weergegeven in duidelijke statistieken,
zodat er niets aan interpretatie over zou blijven. Dit ben je, zo zit je
in elkaar en hier staat het opgeschreven. Daar zou ik de rest van mijn
leven mee vooruit kunnen. Voortaan alles verklaarbaar.
De test bestond vooral uit heel veel vragen. Hoe graag ik met anderen omging, hoeveel vrienden ik had, hoe ik mezelf zag op dit en dat punt. Ik heb het ingevuld zonder er al te veel bij na te denken. Van nadenken ga je rare antwoorden geven.
Een paar weken later zat ik met een papier voor me met cirkeldiagrammen en grafieken. Alhoewel de onderzoekers me verzekerden dat het een uiterst valide test was en dat ik met een brede database vergeleken werd, kon ik er nauwelijks een mens van maken. Ik zag alleen maar statistieken. Ik had gekregen wat ik wilde en toch was ik nu een groter vraagteken dan voorheen. De periode erna was er een van verwarring.
Wat ik me vooral afvroeg was in hoeverre een test die gebruik maakt van vragen over jezelf ook echt meet hoe je bent. Want wie zegt dat ik niet een veel te positief zelfbeeld heb, wie zegt dat ik altijd eerlijk ben tegen mezelf? Of misschien zie ik mezelf veel negatiever dan anderen me zien. Hoe objectief kun je zijn over jezelf en daar vervolgens vragen over beantwoorden? Als je zelfbeeld altijd zou kloppen had ik geen test hoeven maken, dan had ik zelf antwoord kunnen geven op mijn eigen vragen. Zou het niet beter zijn als iedereen in mijn omgeving vragen over mij zou beantwoorden om de werkelijkheid goed weer te kunnen geven? En de antwoorden dan via een berekening middelen tot er één persoonsbeeld uitkomt. Dan zou ik alleen opnieuw worden weergegeven in statistieken. Opnieuw geen echt mens, maar een verzameling cijfers.
Na de nodige overpeinzingen realiseerde ik me dat ik het onmogelijke wil. Ik wil uit mezelf treden en van een afstand kunnen bekijken wie ik ben, aantekeningen maken, metingen doen, net zo lang tot er geen vragen meer zijn. Een test meet alleen een verzameling eigenschappen van jezelf. Ik wil juist de kern van mijn identiteit vast kunnen pakken, niet alles wat eromheen hangt. Maar ‘kern’ is niet het juiste woord. Het impliceert een onveranderlijk stukje mij. Een stilstaand ding dat ergens in me zit en wacht tot het ontdekt wordt – en dan komt alles goed. Ik heb ernaar gezocht, maar heb het niet gevonden. Het vreemde is dat ik dat eigenlijk altijd al wist. Als ik iemand hoor zeggen: ‘Ik kan absoluut niet tegen autoriteit’, of: ‘Ik ben ontzettend impulsief’, denk ik altijd: ‘Dat zal wel, je probeert jezelf gewoon vast te pinnen op een eigenschap.’ Niets is absoluut. Het zijn maar woorden.
Ik wilde mezelf kennen tot in een diepere laag, tot in de kern die alles aandrijft. Wat mij drijft is niet kenbaar, weet ik nu. Het is dat wat door me stroomt en altijd anders is. Het is zelfs niet echt van mij. Zo lang ik leef mag ik het gebruiken, net als ieder ander wezen. Je zou het de stroom van het leven kunnen noemen, de kracht die ervoor zorgt dat ieder atoom trilt. Want als alles van atomen is gemaakt, is alles onderhevig aan dezelfde kracht. Net als de tafel waar ik aan zit, de laptop waarop ik schrijf en de hond die aan mijn voeten ligt, ben ik slechts een manifestatie van de kracht die overal door vloeit. Als ik mediteer of door het bos wandel en zo’n moment heb waarop al mijn gedachten niets meer dan gedachten zijn, dan voel ik het heel eventjes. Mijn gedachten worden lichter en zweven weg. Wat er overblijft is de stuwende kracht. Op het moment dat ik het me realiseer is het gevoel weg en ben ‘ik’ er weer, inclusief ‘nog afwassen’ en ‘zo meteen naar m’n werk’. Mezelf kennen is onmogelijk, alleen mezelf ervaren kan. Dat is waarschijnlijk de reden dat ik niets kan met de statistieken uit mijn test. Het is een stukje van de vorm waar ik in gegoten ben. Ik moet de vorm niet leren kennen, ik moet de inhoud ervaren.
(Oorspronkelijk in augustus 2012 gepost)
De test bestond vooral uit heel veel vragen. Hoe graag ik met anderen omging, hoeveel vrienden ik had, hoe ik mezelf zag op dit en dat punt. Ik heb het ingevuld zonder er al te veel bij na te denken. Van nadenken ga je rare antwoorden geven.
Een paar weken later zat ik met een papier voor me met cirkeldiagrammen en grafieken. Alhoewel de onderzoekers me verzekerden dat het een uiterst valide test was en dat ik met een brede database vergeleken werd, kon ik er nauwelijks een mens van maken. Ik zag alleen maar statistieken. Ik had gekregen wat ik wilde en toch was ik nu een groter vraagteken dan voorheen. De periode erna was er een van verwarring.
Wat ik me vooral afvroeg was in hoeverre een test die gebruik maakt van vragen over jezelf ook echt meet hoe je bent. Want wie zegt dat ik niet een veel te positief zelfbeeld heb, wie zegt dat ik altijd eerlijk ben tegen mezelf? Of misschien zie ik mezelf veel negatiever dan anderen me zien. Hoe objectief kun je zijn over jezelf en daar vervolgens vragen over beantwoorden? Als je zelfbeeld altijd zou kloppen had ik geen test hoeven maken, dan had ik zelf antwoord kunnen geven op mijn eigen vragen. Zou het niet beter zijn als iedereen in mijn omgeving vragen over mij zou beantwoorden om de werkelijkheid goed weer te kunnen geven? En de antwoorden dan via een berekening middelen tot er één persoonsbeeld uitkomt. Dan zou ik alleen opnieuw worden weergegeven in statistieken. Opnieuw geen echt mens, maar een verzameling cijfers.
Na de nodige overpeinzingen realiseerde ik me dat ik het onmogelijke wil. Ik wil uit mezelf treden en van een afstand kunnen bekijken wie ik ben, aantekeningen maken, metingen doen, net zo lang tot er geen vragen meer zijn. Een test meet alleen een verzameling eigenschappen van jezelf. Ik wil juist de kern van mijn identiteit vast kunnen pakken, niet alles wat eromheen hangt. Maar ‘kern’ is niet het juiste woord. Het impliceert een onveranderlijk stukje mij. Een stilstaand ding dat ergens in me zit en wacht tot het ontdekt wordt – en dan komt alles goed. Ik heb ernaar gezocht, maar heb het niet gevonden. Het vreemde is dat ik dat eigenlijk altijd al wist. Als ik iemand hoor zeggen: ‘Ik kan absoluut niet tegen autoriteit’, of: ‘Ik ben ontzettend impulsief’, denk ik altijd: ‘Dat zal wel, je probeert jezelf gewoon vast te pinnen op een eigenschap.’ Niets is absoluut. Het zijn maar woorden.
Ik wilde mezelf kennen tot in een diepere laag, tot in de kern die alles aandrijft. Wat mij drijft is niet kenbaar, weet ik nu. Het is dat wat door me stroomt en altijd anders is. Het is zelfs niet echt van mij. Zo lang ik leef mag ik het gebruiken, net als ieder ander wezen. Je zou het de stroom van het leven kunnen noemen, de kracht die ervoor zorgt dat ieder atoom trilt. Want als alles van atomen is gemaakt, is alles onderhevig aan dezelfde kracht. Net als de tafel waar ik aan zit, de laptop waarop ik schrijf en de hond die aan mijn voeten ligt, ben ik slechts een manifestatie van de kracht die overal door vloeit. Als ik mediteer of door het bos wandel en zo’n moment heb waarop al mijn gedachten niets meer dan gedachten zijn, dan voel ik het heel eventjes. Mijn gedachten worden lichter en zweven weg. Wat er overblijft is de stuwende kracht. Op het moment dat ik het me realiseer is het gevoel weg en ben ‘ik’ er weer, inclusief ‘nog afwassen’ en ‘zo meteen naar m’n werk’. Mezelf kennen is onmogelijk, alleen mezelf ervaren kan. Dat is waarschijnlijk de reden dat ik niets kan met de statistieken uit mijn test. Het is een stukje van de vorm waar ik in gegoten ben. Ik moet de vorm niet leren kennen, ik moet de inhoud ervaren.
(Oorspronkelijk in augustus 2012 gepost)