Sinds deze week lukt het me meneer Visser – zie vorige bericht – wat
vaker het zwijgen op te leggen. Hij slokt niet al mijn aandacht meer op
en zodoende heb ik tijd voor andere dingen. Bijvoorbeeld voor niets. Een
halfuur zitten in meditatieve toestand en ervaren dat alles wat ik denk
een illusie is. Alleen het hier en nu is van belang en al het andere –
de ideeën die ik heb verzameld over mezelf en de wereld – schuiven naar
achteren. Zie wat er is, niet wat je zou willen zien. Dat is zen.
Meneer Visser is allesbehalve zen. Hij is degene die me vol stopt met
ideeën over wie ik ben en wie ik zou moeten zijn. Vooral wie ik zou
moeten zijn, want wie ik ben is nooit oké. Door te zitten in het hier en
nu – zenmeditatie – voel je langzaam alle oordelen over jezelf en
anderen van je afglijden. De woorden van meneer Visser liggen daar als
stenen. Je kunt ze oppakken en op je tenen laten vallen. Dan doen ze
pijn. Je kunt ze ook laten liggen. Dan zijn het gewoon stenen.
Het klinkt makkelijker dan het is. Om verder te komen met zen, is het
belangrijk om dagelijks te mediteren. Het liefst tweemaal twintig
minuten op een dag. Daarnaast moet zen je leven gaan doordringen, zodat
je de dagelijkse frustraties en angsten beter de baas kunt. Ze zijn er
gewoon. Beleef ze op het moment en laat ze daarna gaan. Maak ze niet
groter dan ze zijn.
Helaas mediteer ik niet zo vaak als ik zou moeten. Een halfuurtje per
twee dagen misschien. Ik zou mezelf streng kunnen toespreken voor dit
ernstig gebrek aan discipline, maar sinds kort heb ik een andere manier
bedacht om zen te beoefenen. Een manier die net als zen uit Japan komt:
Dark Souls.
De slogan waarmee Dark Souls gelanceerd werd, luidt: ‘Prepare to
die.’ In Dark Souls ga je vaker dan in welke andere moderne game dood.
Waar de huidige generatie games zich richt op een Hollywoodervaring van
de gamer – inclusief het overleven van een ongeloofwaardige hoeveelheid
vijandig vuur en het eigenhandig verslaan van een heel leger – ben je in
Dark Souls slechts een van de velen in een wereld die er niet om maalt
of je leeft of sterft. Het draait niet om jou. Je komt op bezoek, je
sterft en laat op die plek bij wijze van grafsteen je moeizaam
verzamelde ‘souls’ liggen. Het hele godganse rotstuk kun je opnieuw
doen om er weer bij te komen. Als je pech hebt sterf je voortijdig nog
een keer en ben je alles voorgoed kwijt. Uren ploeteren door donkere
kerkers en zompige moerassen voor niets. Ik schreeuw het uit tijdens het
spelen van Dark Souls. Achter iedere hoek kan de dood liggen. De enige
manier om er écht doorheen te komen, is diep ademhalen en je proberen te
realiseren dat het maar pixels zijn. Het is niet echt. Het is een
illusie. Zelfs de dood is een illusie. Alle frustratie die je voelt als
je zojuist in tweeën gehakt bent door een vijand die je al zo vaak
verslagen hebt – hij kwam uit onverwachte hoek dit keer – die is er ook
in het echte leven. En ook daar levert het je niets op.
Zen is met iedere inademing geboren worden en sterven met iedere
uitademing. Leven en dood zijn twee kanten van dezelfde medaille. In
Dark Souls moet je dood gaan om verder te komen, om te kunnen leven. Het
is de ultieme zenoefening in de 21e eeuw. Misschien dat ik ooit de
discipline krijg om tweemaal daags te mediteren, maar voorlopig kan ik
nog vooruit met Dark Souls.
(Oorspronkelijk gepost op 21 juni 2012)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten