maandag 1 oktober 2012

Meneer Vissers kampvuur

Vannacht was weer een nacht van wakker liggen. Denken dat lijkt op dromen, maar wat toch echt denken is. En dan ineens dat moment – het dieptepunt – waarop je beseft dat je wakker ligt. Dat het alweer halverwege de nacht is. Nog even en de hanen kraaien. Alweer een kans verspeeld.

Iemand noemde het de ‘twilight zone’. De grens waarop denken en dromen elkaar raken. Normaal duurt die schemerzone niet zo lang. Gewoon het station dat je passeert halverwege dromenland. Daar hoor je niet uit te stappen. Het is er kil.

Ik stap meestal uit op dat station. Terwijl anderen in de trein blijven zitten en nauwelijks doorhebben dat er een korte stop plaatsvindt, ben ik mij altijd zeer bewust van station ‘Schemerzone’. Maar ik wil niet uitstappen. Met alles wat ik heb probeer ik in die trein te blijven. Ik houd me vast aan mijn stoel en pers mijn oogleden toe. ‘We zijn er nog niet,’ zeg ik tegen mezelf, ‘het moet nog komen.’ Tot ik die fluisterende stem hoor: ‘Station Schemerzone, hier uitstappen.’ Zo zacht dat bijna niemand het hoort. En voor ik het weet sta ik op een guur perron en kijk ik hoe de trein langzaam optrekt en in een dikke mist verdwijnt.

Station Schemerzone is geen mooi station. Het heeft geen houten wachtruimte van honderd jaar oud en ook geen high-tech overkapping van wit gespoten staal. Als het er regent, word je nat. Ruwhouten kratten vol met troep staan her en der verspreid. Achtergelaten door mijn voorgangers, of door mij bij een vorige reis. Het hout splintert. Ik moet er met een boog omheen lopen. En wat er in die kratten zit, dat wil je eigenlijk niet weten.

Achter het perron is alleen een trapje naar beneden. Vier treden tot ik met mijn voeten in de zompige modder zak. Aan de andere kant van het station hoor ik een volgende trein stoppen. Het maakt niet uit. Ze laten me toch niet meer naar binnen. Hij vertrekt alweer, terwijl ik verder ploeter.

Verderop brandt een vuurtje. Dat is eigenlijk de enige plek waar je in Schemerzone naartoe kunt. Je kunt je warmen aan het vuur van meneer Visser. Hij zit zo’n twintig meter verder op een krukje. Voor hem brandt het vuur en achter hem begint de muur van mist. Ondoordringbaar. Ik heb een trein nodig om daarin door te dringen.

Meneer Visser nodigt me uit. Ik mag gaan zitten bij het vuur, zolang ik weet wat de voorwaarde is. Hij praat, ik luister. Ik zou wel weg willen lopen, maar ik zit voordat ik er erg in heb. En dan begint het.
Meneer Visser weet het. Iedere zwakke plek in mijn karakter kent hij. Alles waar ik over twijfel en wat ik wel/niet anders had moeten doen, hij weet het. Ieder moeizaam verworven stukje zelfkennis wordt onder zijn vergrootglas gelegd en verschroeid tot er nauwelijks meer iets over is. Hij praat en praat en al die woorden hollen me van binnen uit.

Als hij klaar is ben ik leeg. Hij knikt tevreden. Ik hoor in de verte een haan kraaien en weet dat het tijd is terug te gaan. Zo meteen komt de trein weer uit de mist opdoemen. Op de terugweg is er altijd plaats voor mij.

‘Tot morgen’, zegt meneer Visser.

Ik zeg niets.

(Oorspronkelijk gepost in juni 2012)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten