zaterdag 20 oktober 2012

Geademd worden

Gisteravond keek ik op uit mijn boek en dacht ik minutenlang na over de zin die ik zojuist gelezen had. Er zijn maar weinig zinnen die dat bewerkstelligen. Zinnen waar een hele wereld achter schuilgaat, zo veelzeggend zijn ze. De zin vatte een essentie die me diep raakte. Er stond geschreven: 'Ik leerde me zo onbekommerd over te geven aan de ademhaling, dat ik soms het gevoel had niet zelf te ademen maar, hoe vreemd het ook zal klinken, geademd te worden.'

Ik word geademd. Normaliter zou ik zeggen: ik adem. Maar zelfs als ik vastbesloten ben mijn adem in te houden en het vol te houden tot ik niet meer leef, zal ik uiteindelijk met een rood hoofd weer naar adem moeten happen. De adem is sterker dan het ik, dus wie is wie de baas? Ik kan het even overnemen en sneller ademen of juist mijn adem inhouden, maar mijn ademhaling neemt mij altijd weer het heft uit handen. Ik word geademd, of ik dat nou leuk vind of niet. Het bevreemdt me nu bijna dat ik het altijd anders gezegd en gedacht heb. Ik word geademd klinkt zoveel natuurlijker. Ik leef bij de gratie van mijn ademhaling. Als mijn ademhaling verdwijnt, verdwijnt mijn ik.

Vanuit evolutionair oogpunt zijn wij – net als alle levende wezens – niets meer dan voertuigen voor onze genen. Dat ik kan nadenken, een stukje kan typen en tegelijkertijd aan mijn neus kan krabben is het resultaat van miljarden jaren trial-and-error op genetisch nivo. Het voelt voor mij soms alsof ik een bij-effect ben van mijn genen. Ze geven niet echt om mij. Ze gebruiken me alleen. Alhoewel het negatief klinkt, vind ik de theorie van het zelfzuchtig gen bevrijdend. Ik word er zo heerlijk onbelangrijk door.

Mijn leven, mijn gedachtes, doelstellingen en frustraties, het is slechts een uiting van een eeuwig durende strijd tussen stukjes informatie. Een paar van die stukjes informatie laten me ademen. De stroom gedachten die daaruit voortkomt dat ben ik. Als ik het zo bekijk is mijn ademhaling de poort naar een dieper bewustzijn, naar het contact met de kracht die alles drijft. Het klinkt wellicht mystiek, maar dagelijks stilstaan en merken hoe ik gedragen word door mijn ademhaling helpt me om de dingen vanuit het juiste perspectief te zien. Het maakt dat ik mezelf even vergeet en merk dat dat niet erg is. Ademen gebeurt hoe dan ook wel. En als mijn lijf ooit stopt met ademen, hoef ik me nergens zorgen om te maken. Ik ben dan meteen verdwenen.

(De geciteerde zin komt uit 'Zen in de kunst van het boogschieten', van Eugen Herrigel. Informatie over genen en de theorie van het zelfzuchtige gen komt uit 'The selfish gene' van Richard Dawkins.)

zondag 7 oktober 2012

Een ander licht

Wanneer ik mediteer, kijk ik vijfentwintig minuten lang naar de vloer. Soms vergeet ik dat ik daarnaar kijk en soms ga ik wazig zien - dan vergeet ik waarschijnlijk dat ik ogen heb. Deze week gebeurde er iets vreemds tijdens mijn meditatie. Na een minuut of tien gezeten te hebben, zag ik het gezicht van de duivel naar voren komen. Hij zat daar in het houtpatroon en keek me aan alsof hij me iets duidelijk moest maken. Misschien was hij daar door god geplaatst als hint: het pad dat je volgt is het pad van de duivel. Stop met zenmeditatie en alles wat daarbij hoort en bekeer je tot het ware geloof. Stop voordat het te laat is en de duivel zich definitief in je genesteld heeft. Ik had me op dat moment moeten bekeren. Dan had ik nu het verhaal van mijn openbaring met de wereld kunnen delen. Ik zou dan zelfs mijn zolderkamer tot een bedevaartsoord kunnen maken en voortaan van de entreegelden kunnen leven.

In plaats van mijn meditatiehouding in een loof-de-heer houding te veranderen, ben ik blijven zitten. Ik bleef kijken naar het gezicht van de duivel en realiseerde me plotseling dat het niet het hele gezicht was. Ik zag alleen de linkerhelft. Het gezicht werd doormidden gekliefd doordat de vloerplank met het houtpatroon ophield en er een nieuwe plank begon. Desalniettemin had ik de duivel gezien. Hoe langer ik bleef kijken en bleef proberen terug te keren naar het zien van een betekenisloos houtpatroon, hoe meer het gezicht - ook al was het maar de helft - zich in mijn hoofd wist te nestelen. Ik kreeg het niet meer weg. Het zou het werk van de duivel kunnen zijn, als ik niet wist dat het nu eenmaal moeilijk is om een eenmaal gegeven betekenis weer uit te wissen.

Uiteindelijk wist ik door te dringen. Niet terug naar hoe het was toen ik nog niets zag in de vloer, maar erdoorheen. Ik realiseerde me dat het niet eens echt hout was. Het was laminaat. Iets van kunststof, gemaakt in een fabriek. Gemaakt van miljarden moleculen, die weer van nog meer atomen gemaakt waren. En daarin zat protonen, elektronen en misschien op een nog dieper nivo wel dingen die wij nog niet kennen. In ieder geval begon ik de energie te zien waaruit het bestond en voelde ik dat het in wezen niets anders was dan datgene waar alles - inclusief mezelf - uit bestaat. Ik transcendeerde en keerde daarna terug tot mezelf. Een prettige ervaring. Helaas zag ik daarna opnieuw de duivelskop.

Het is heel normaal om ergens betekenis aan te geven. Zonder betekenis zouden we niets meer dan instinctieve dieren zijn, zonder taal of doel. Maar wat als Jezus geen betekenis gegeven had aan de beelden van de duivel die zich aan hem opdrongen tijdens de veertig dagen en nachten vasten in de woestijn? Zou ik dan nu de duivel zien of zouden het slechts houtpatronen zijn? Ik neig sterk naar de houtpatronen. Sinds ik aan zen doe ben ik ervan overtuigd dat het verlenen van betekenis aan de dingen om je heen, van een verkeerde betekenis, een van de ergste dingen is die er zijn. Het vertroebelt je blik op de werkelijkheid. Hoe moeilijk het ook is, wanneer je de betekenis afbreekt zie je de werkelijkheid zoals die is. En in werkelijkheid is er geen goed en kwaad. Zo hebben wij alleen de wereld verdeeld, met alle gevolgen van dien.

De volgende dag mediteerde ik weer. Het gezicht van de duivel was weg. Ik had gewild dat het door mijn meditatie kwam, dat ik het vuile filter van de betekenis wat schoon had weten te poetsen. Helaas denk ik dat het gewoon door een andere lichtinval kwam. Evengoed ben ik blij dat het houtpatroon weer een houtpatroon is, ook in mijn hoofd.

maandag 1 oktober 2012

Woorden

Over woorden kan ik lang nadenken. Gewoon woorden. Wat ze zijn en wat ze doen. Met woorden kun je bouwen. Zinnen, verhalen, een zelfbeeld of een ander abstracte idee. In die zin ben ik een architect, net als iedereen. Ik bouw voortdurend iets van alles dat ik zie en meemaak: een huis waar ik de werkelijkheid vanuit bezie. Mijn huis is een klushuis. Naarmate ik ouder word besteed ik vooral tijd aan de afwerking, maar soms plaats ik - radicaal - een uitbouw of sloop ik een dakkapel eraf. Het zou niet meevallen om het ooit helemaal tegen de vlakte te gooien, alleen de fundering laten staan en een heel nieuw huis opbouwen. Je zou kunnen zeggen dat iemand die plots in god gaat geloven een heel nieuw huis bouwt op de oude palen. Een totaal nieuwe blik op het leven. Ik denk niet dat ik dat ooit ga doen, maar wie weet. Als ik het zou verwachten zou er eigenlijk nu al nieuwbouw plaatsvinden. Een erker van verwachting aan je oude huis, die je laat staan als je de rest afbreekt.

Het is wel prettig om je voor te stellen dat jouw huis het stevigst is, dat je altijd veilig en comfortabel naar buiten kunt kijken. Maar als je ooit naar buiten zou gaan zou je zien dat de muren toch wat minder dik lijken te zijn dan van binnen af bezien. Andere woorden kunnen het ineen doen storten. De meeste mensen gaan echter niet naar buiten. Die proberen alleen maar van binnenuit hun huis te verstevigen. Ze gebruiken bijvoorbeeld de populaire bouwstijl 'religie' als basis. Dat zijn huizen met maar één raampartij en die kijkt altijd op de kerk uit. Tegelijkertijd zijn er mensen die atheïsme in hun huis verwerken. Alhoewel ik daar zelf gebruik maak, is het een wat saaie stijl die weinig opsmuk duldt. En om de een of andere reden komt er altijd water door het dak. Zo is het altijd wat.

Waarom bouwen we deze huizen eigenlijk? Omdat we woorden hebben en het nu eenmaal kan? Om ons te beschermen tegen de moeilijke dingen in het leven, de regen en de wind of de brandende zon? Geen enkel woord is voor altijd bestand tegen de elementen. Zelfs als je een bliksemafleider - zoals 'hiernamaals' - op je dak plaatst, kun je door de bliksem worden getroffen. En hoe kunnen die elf letters van 'hiernamaals' je dan beschermen tegen de kracht van de natuur? Het heeft geen zin. Je kunt wel constant aan je huis werken om alles veilig en op orde te krijgen, maar dat betekent dat je nooit rust zult hebben. Altijd in de weer met kwasten of een boormachine. En dat voor een huis dat onherroepelijk in zal storten. Misschien niet nu, maar ooit zeker. Tenslotte zijn de muren dunner dan je denkt.

Wat gebeurt er als je de woorden laat gaan? Als je gewoon gaat zitten in je huis en kijkt hoe het behang van de muren krult, de kozijnen wegrotten en de muren langzaam afbrokkelen? Je zult op je handen moeten gaan zitten om je te bedwingen op te ruimen en opnieuw te gaan bouwen. Zitten tot er er geen muur meer overeind staat. Dan heb je vrij uitzicht naar alle kanten.

Ik probeer al een tijdje op mijn handen te blijven zitten. Dat valt niet mee. Zo'n huis stort maar heel langzaam in. Het is een proeve in zelfbeheersing en geduld. Tot nu toe is er alleen nog maar een raam uit de sponning gevallen - omdat ik het niet goed vastgemaakt had. De wind heeft vrij spel en soms regent het naar binnen. In het begin had ik het stervenskoud, maar na een tijdje ging dat weg. De woorden om de kou te beschrijven waren door het raam gevlogen en verdwenen. Ze hebben een stukje van het 'zelf' meegenomen, het stukje dat kou kan lijden. Zo heeft het probleem zichzelf opgelost.

Afbraak

Wanneer ik naar reclames op t.v. kijk, lijkt het alsof ik continu de boodschap krijg: zo moet je zijn. Spuit dit luchtje op en word net zo mysterieus als dit model. Dan wil iedereen je. Of drink dit bier en word de man die je diep van binnen al bent. Alsof het gebruik van een product mijn identiteit zou kunnen veranderen, denk ik dan smalend. Het bier eindigt ontdaan van alle alcohol in het toilet en het luchtje is al na een dag vervlogen. Heeft het in de tussentijd iets gedaan met wie ik ben? Ik zou het liefst zeggen van niet, maar als ik eerlijk ben denk ik dat het wel iets doet. Het helpt in ieder geval met het verschaffen van een gevoel van identiteit. Ik drink nu dit bier en iemand anders drinkt dit bier nu niet. Dat is een onderscheid. Alles wat me onderscheidt van anderen, geeft mijn eigen identiteit vorm.

Reclames ergeren me. Ze spelen continu in op het verlangen iemand anders te zijn dan je bent. En dat terwijl ik niet eens zou kunnen zeggen wie ik nú ben. Hoe kan ik dan iets anders willen zijn? Ik ken mijn vertrekpunt niet goed genoeg om ergens anders heen te willen. Moet ik niet eerst beter om me heen kijken en mezelf leren kennen? Dat is de vraag. Wie ik ben houdt me bezig, maar dat betekent niet dat er een antwoord is. In ieder geval geen antwoord dat in woorden valt te vatten, zoals ik in mijn vorige bericht al schreef. Ook al heb je een verzameling eigenschappen – slim, grappig, lui, slordig – in je hoofd, het zijn maar woorden. Het gaat er mij niet zozeer om wie ik ben, maar wát ik is. Identiteit is meer dan een hoop regels over jezelf. Het is een gevoel, iets subjectiefs. Maar dat maakt het juist zo lastig, want op die manier is ‘ik’ altijd iets anders. Een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf. Dat ben ik. Aangenaam.

Wanneer iemand je naar je karakter vraagt, is het niet erg praktisch om te antwoorden met: ‘Ik ben een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf.’ Het heeft een reden dat we onszelf willen omschrijven, dat we het gevoel van ‘ik’ onder woorden willen brengen. Je zou nergens aangenomen worden als je niet kunt zeggen wat je goed en minder goed kunt. Maar woorden binden. Wie ik nu ben, ben ik morgen niet meer. En vandaag ben ik iemand anders dan tien jaar geleden. Toch ben ik geneigd om een woord dat ooit bij mij hoorde, voor altijd bij me te willen houden. Het geeft een gevoel van vastigheid, een stevig rotsblok dat ik vast kan houden. Een woord of zin over mezelf – ik kan goed schrijven – legt iets vast en helpt me om verder te bouwen aan mijn identiteit – ik ben een schrijver! Uiteindelijk word ik toch weer een bouwwerk van woorden. En dat terwijl woorden slechts symbolen zijn voor datgene wat ik niet op een andere manier uit kan drukken. Ze zijn vluchtig en nauwelijks geschikt om iets van te bouwen. Waarom gebruik ik ze dan toch daarvoor?

Het is hier en nu – 2012 in het Westen – heel belangrijk om jezelf te zijn. Wat het betekent weet ik niet, maar ‘jezelf zijn’ wordt in mening tijdschrift als het hoogste goed beschouwd. Van jongs af aan worden ons al eigenschappen opgeplakt en leren we hoe we onszelf moeten omschrijven. Een individualistische cultuur, waar zelfverwezenlijking het maximaal haalbare is. Ik wil iemand zijn en daarom bouw ik aan mezelf. Het is me ingeprent. De laatste tijd ben ik echter aan het afbreken. Als ik dan toch een constante stroom gedachten en gevoelens met betrekking tot mezelf ben, kan ik net zo goed stoppen te proberen mezelf onder woorden te brengen. Je kunt geen huis op een stroom bouwen. Mijn identiteit is vluchtig en geen doel op zich. Hooguit een idee dat ik soms nodig heb om te kunnen vertellen wie ik ben, maar dat me evengoed dwars kan zitten. Hoe vaak botst de werkelijkheid tenslotte niet met mijn beperkte idee van mijn identiteit? Daarom wil ik eigenlijk geen eigenschappen hebben als vaststaande regels in mijn hoofd. En ik wil zeker niet die man uit die reclame worden, of mezelf verwezenlijken – wat dat ook moge zijn. Ik wil elke dag zijn wie ik ben op dat moment en verder niets. Maar zelfs dat is een zin die mij kenmerkt en een identiteit aanmeet…

Het liefst wil ik mezelf vergeten.

(Oorspronkelijk op 17 september gepost)

Een stukje vorm


Een tijd geleden heb ik een test gemaakt. Een test over mezelf. Ik had er zin in, want ik dacht dat ik nu definitieve antwoorden zou krijgen. Het liefst antwoorden weergegeven in duidelijke statistieken, zodat er niets aan interpretatie over zou blijven. Dit ben je, zo zit je in elkaar en hier staat het opgeschreven. Daar zou ik de rest van mijn leven mee vooruit kunnen. Voortaan alles verklaarbaar.

De test bestond vooral uit heel veel vragen. Hoe graag ik met anderen omging, hoeveel vrienden ik had, hoe ik mezelf zag op dit en dat punt. Ik heb het ingevuld zonder er al te veel bij na te denken. Van nadenken ga je rare antwoorden geven.

Een paar weken later zat ik met een papier voor me met cirkeldiagrammen en grafieken. Alhoewel de onderzoekers me verzekerden dat het een uiterst valide test was en dat ik met een brede database vergeleken werd, kon ik er nauwelijks een mens van maken. Ik zag alleen maar statistieken. Ik had gekregen wat ik wilde en toch was ik nu een groter vraagteken dan voorheen. De periode erna was er een van verwarring.

Wat ik me vooral afvroeg was in hoeverre een test die gebruik maakt van vragen over jezelf ook echt meet hoe je bent. Want wie zegt dat ik niet een veel te positief zelfbeeld heb, wie zegt dat ik altijd eerlijk ben tegen mezelf? Of misschien zie ik mezelf veel negatiever dan anderen me zien. Hoe objectief kun je zijn over jezelf en daar vervolgens vragen over beantwoorden? Als je zelfbeeld altijd zou kloppen had ik geen test hoeven maken, dan had ik zelf antwoord kunnen geven op mijn eigen vragen. Zou het niet beter zijn als iedereen in mijn omgeving vragen over mij zou beantwoorden om de werkelijkheid goed weer te kunnen geven? En de antwoorden dan via een berekening middelen tot er één persoonsbeeld uitkomt. Dan zou ik alleen opnieuw worden weergegeven in statistieken. Opnieuw geen echt mens, maar een verzameling cijfers.

Na de nodige overpeinzingen realiseerde ik me dat ik het onmogelijke wil. Ik wil uit mezelf treden en van een afstand kunnen bekijken wie ik ben, aantekeningen maken, metingen doen, net zo lang tot er geen vragen meer zijn. Een test meet alleen een verzameling eigenschappen van jezelf. Ik wil juist de kern van mijn identiteit vast kunnen pakken, niet alles wat eromheen hangt. Maar ‘kern’ is niet het juiste woord. Het impliceert een onveranderlijk stukje mij. Een stilstaand ding dat ergens in me zit en wacht tot het ontdekt wordt – en dan komt alles goed. Ik heb ernaar gezocht, maar heb het niet gevonden. Het vreemde is dat ik dat eigenlijk altijd al wist. Als ik iemand hoor zeggen: ‘Ik kan absoluut niet tegen autoriteit’, of: ‘Ik ben ontzettend impulsief’, denk ik altijd: ‘Dat zal wel, je probeert jezelf gewoon vast te pinnen op een eigenschap.’ Niets is absoluut. Het zijn maar woorden.

Ik wilde mezelf kennen tot in een diepere laag, tot in de kern die alles aandrijft. Wat mij drijft is niet kenbaar, weet ik nu. Het is dat wat door me stroomt en altijd anders is. Het is zelfs niet echt van mij. Zo lang ik leef mag ik het gebruiken, net als ieder ander wezen. Je zou het de stroom van het leven kunnen noemen, de kracht die ervoor zorgt dat ieder atoom trilt. Want als alles van atomen is gemaakt, is alles onderhevig aan dezelfde kracht. Net als de tafel waar ik aan zit, de laptop waarop ik schrijf en de hond die aan mijn voeten ligt, ben ik slechts een manifestatie van de kracht die overal door vloeit. Als ik mediteer of door het bos wandel en zo’n moment heb waarop al mijn gedachten niets meer dan gedachten zijn, dan voel ik het heel eventjes. Mijn gedachten worden lichter en zweven weg. Wat er overblijft is de stuwende kracht. Op het moment dat ik het me realiseer is het gevoel weg en ben ‘ik’ er weer, inclusief ‘nog afwassen’ en ‘zo meteen naar m’n werk’. Mezelf kennen is onmogelijk, alleen mezelf ervaren kan. Dat is waarschijnlijk de reden dat ik niets kan met de statistieken uit mijn test. Het is een stukje van de vorm waar ik in gegoten ben. Ik moet de vorm niet leren kennen, ik moet de inhoud ervaren.

(Oorspronkelijk in augustus 2012 gepost)

Prepare to die

Sinds deze week lukt het me meneer Visser – zie vorige bericht – wat vaker het zwijgen op te leggen. Hij slokt niet al mijn aandacht meer op en zodoende heb ik tijd voor andere dingen. Bijvoorbeeld voor niets. Een halfuur zitten in meditatieve toestand en ervaren dat alles wat ik denk een illusie is. Alleen het hier en nu is van belang en al het andere – de ideeën die ik heb verzameld over mezelf en de wereld – schuiven naar achteren. Zie wat er is, niet wat je zou willen zien. Dat is zen.

Meneer Visser is allesbehalve zen. Hij is degene die me vol stopt met ideeën over wie ik ben en wie ik zou moeten zijn. Vooral wie ik zou moeten zijn, want wie ik ben is nooit oké. Door te zitten in het hier en nu – zenmeditatie – voel je langzaam alle oordelen over jezelf en anderen van je afglijden. De woorden van meneer Visser liggen daar als stenen. Je kunt ze oppakken en op je tenen laten vallen. Dan doen ze pijn. Je kunt ze ook laten liggen. Dan zijn het gewoon stenen.

Het klinkt makkelijker dan het is. Om verder te komen met zen, is het belangrijk om dagelijks te mediteren. Het liefst tweemaal twintig minuten op een dag. Daarnaast moet zen je leven gaan doordringen, zodat je de dagelijkse frustraties en angsten beter de baas kunt. Ze zijn er gewoon. Beleef ze op het moment en laat ze daarna gaan. Maak ze niet groter dan ze zijn.

Helaas mediteer ik niet zo vaak als ik zou moeten. Een halfuurtje per twee dagen misschien. Ik zou mezelf streng kunnen toespreken voor dit ernstig gebrek aan discipline, maar sinds kort heb ik een andere manier bedacht om zen te beoefenen. Een manier die net als zen uit Japan komt: Dark Souls.

De slogan waarmee Dark Souls gelanceerd werd, luidt: ‘Prepare to die.’ In Dark Souls ga je vaker dan in welke andere moderne game dood. Waar de huidige generatie games zich richt op een Hollywoodervaring van de gamer – inclusief het overleven van een ongeloofwaardige hoeveelheid vijandig vuur en het eigenhandig verslaan van een heel leger – ben je in Dark Souls slechts een van de velen in een wereld die er niet om maalt of je leeft of sterft. Het draait niet om jou. Je komt op bezoek, je sterft en laat op die plek bij wijze van grafsteen je moeizaam verzamelde ‘souls’ liggen. Het hele godganse rotstuk kun je opnieuw doen om er weer bij te komen. Als je pech hebt sterf je voortijdig nog een keer en ben je alles voorgoed kwijt. Uren ploeteren door donkere kerkers en zompige moerassen voor niets. Ik schreeuw het uit tijdens het spelen van Dark Souls. Achter iedere hoek kan de dood liggen. De enige manier om er écht doorheen te komen, is diep ademhalen en je proberen te realiseren dat het maar pixels zijn. Het is niet echt. Het is een illusie. Zelfs de dood is een illusie. Alle frustratie die je voelt als je zojuist in tweeën gehakt bent door een vijand die je al zo vaak verslagen hebt – hij kwam uit onverwachte hoek dit keer – die is er ook in het echte leven. En ook daar levert het je niets op.

Zen is met iedere inademing geboren worden en sterven met iedere uitademing. Leven en dood zijn twee kanten van dezelfde medaille. In Dark Souls moet je dood gaan om verder te komen, om te kunnen leven. Het is de ultieme zenoefening in de 21e eeuw. Misschien dat ik ooit de discipline krijg om tweemaal daags te mediteren, maar voorlopig kan ik nog vooruit met Dark Souls.

(Oorspronkelijk gepost op 21 juni 2012)

Meneer Vissers kampvuur

Vannacht was weer een nacht van wakker liggen. Denken dat lijkt op dromen, maar wat toch echt denken is. En dan ineens dat moment – het dieptepunt – waarop je beseft dat je wakker ligt. Dat het alweer halverwege de nacht is. Nog even en de hanen kraaien. Alweer een kans verspeeld.

Iemand noemde het de ‘twilight zone’. De grens waarop denken en dromen elkaar raken. Normaal duurt die schemerzone niet zo lang. Gewoon het station dat je passeert halverwege dromenland. Daar hoor je niet uit te stappen. Het is er kil.

Ik stap meestal uit op dat station. Terwijl anderen in de trein blijven zitten en nauwelijks doorhebben dat er een korte stop plaatsvindt, ben ik mij altijd zeer bewust van station ‘Schemerzone’. Maar ik wil niet uitstappen. Met alles wat ik heb probeer ik in die trein te blijven. Ik houd me vast aan mijn stoel en pers mijn oogleden toe. ‘We zijn er nog niet,’ zeg ik tegen mezelf, ‘het moet nog komen.’ Tot ik die fluisterende stem hoor: ‘Station Schemerzone, hier uitstappen.’ Zo zacht dat bijna niemand het hoort. En voor ik het weet sta ik op een guur perron en kijk ik hoe de trein langzaam optrekt en in een dikke mist verdwijnt.

Station Schemerzone is geen mooi station. Het heeft geen houten wachtruimte van honderd jaar oud en ook geen high-tech overkapping van wit gespoten staal. Als het er regent, word je nat. Ruwhouten kratten vol met troep staan her en der verspreid. Achtergelaten door mijn voorgangers, of door mij bij een vorige reis. Het hout splintert. Ik moet er met een boog omheen lopen. En wat er in die kratten zit, dat wil je eigenlijk niet weten.

Achter het perron is alleen een trapje naar beneden. Vier treden tot ik met mijn voeten in de zompige modder zak. Aan de andere kant van het station hoor ik een volgende trein stoppen. Het maakt niet uit. Ze laten me toch niet meer naar binnen. Hij vertrekt alweer, terwijl ik verder ploeter.

Verderop brandt een vuurtje. Dat is eigenlijk de enige plek waar je in Schemerzone naartoe kunt. Je kunt je warmen aan het vuur van meneer Visser. Hij zit zo’n twintig meter verder op een krukje. Voor hem brandt het vuur en achter hem begint de muur van mist. Ondoordringbaar. Ik heb een trein nodig om daarin door te dringen.

Meneer Visser nodigt me uit. Ik mag gaan zitten bij het vuur, zolang ik weet wat de voorwaarde is. Hij praat, ik luister. Ik zou wel weg willen lopen, maar ik zit voordat ik er erg in heb. En dan begint het.
Meneer Visser weet het. Iedere zwakke plek in mijn karakter kent hij. Alles waar ik over twijfel en wat ik wel/niet anders had moeten doen, hij weet het. Ieder moeizaam verworven stukje zelfkennis wordt onder zijn vergrootglas gelegd en verschroeid tot er nauwelijks meer iets over is. Hij praat en praat en al die woorden hollen me van binnen uit.

Als hij klaar is ben ik leeg. Hij knikt tevreden. Ik hoor in de verte een haan kraaien en weet dat het tijd is terug te gaan. Zo meteen komt de trein weer uit de mist opdoemen. Op de terugweg is er altijd plaats voor mij.

‘Tot morgen’, zegt meneer Visser.

Ik zeg niets.

(Oorspronkelijk gepost in juni 2012)