zondag 13 september 2015

Wij


Getweeën gleden we naar binnen in
de bubbel die boven de wereld hing
die als een maan ging in de nacht en
waar wij ondanks alles daar beneden
onszelf weer tot een eenheid vreeën

Waar we konden kijken naar de sterren
op ons rug, nieuwe liefde uit elkaar geput
voorbij de taal die maar verzanden zou
in te veel woorden en te weinig zeggen

Waar we konden dromen boven wolken dat
wat nu klopte kloppen zou
voorbij de morgenstond voorbij
jouw hart, mijn hart of
dat ene van ons allebei

Wanneer dan het licht de bel doorstak
onze eendracht op het aardvlak barstte
in tanden poetsen, bevroren brood
twee haastige mensen en één wasbak
de harde dag waarvoor we dachten dat
die bubbel wel een schuilplaats bood

Dan wou ik eigenlijk zeggen dat
in plaats van al die dingen die ik zei
en als ik zelfs onaardig was
dan zei ik eigenlijk dat
ik veel te alleen ben zonder wij










woensdag 26 augustus 2015

De woorden

Ze zijn er, de woorden
Om te beschrijven hoe het voelt
`s Avonds laat, wolken die rond de volle maan verstild zijn
Op de schuur van de buren
Het zwarte silhouet van een kat

De filters van mijn geest gevuld met de dag
Zodat ik mild van vermoeidheid
Het moment zijn kans laat pakken

Hoe de poortdeur piept
En de kat zijn kop bijdraait
Hoe de wolken en de maan weerspiegeld worden
Een ogenblik geluk

Ze zijn er, de woorden
Ze liggen er verhuld
In dat moment

dinsdag 2 juni 2015

Homo homini lupus

Daar waar de wolven zitten waren wij op vakantie. In Slowakije, een land dat van alle Europese landen het meest in ongerepte natuur gehuld gaat. Uitgestrekte bossen, bergketens met besneeuwde toppen en laagland waar je struikelt over het wild. Wij waren in het zuiden, in de heuvels dichtbij de grens met Hongarije, en ik vroeg me af: zitten ze hier ook, die wolven? Ik stond op het punt het te vragen aan een van de Nederlanders die ook op de camping stond. De telelens die op zijn camera prijkte veronderstelde een eigenaar met een grote kennis van de natuur.
Wolven...? De vraag balanceerde op mijn tong, maar ik kreeg het niet voor elkaar de klanken door door de lucht te laten trillen. Iets hield me tegen. Hij verloor zijn evenwicht en viel terug in de diepte waar hij vandaan kwam. Het moment was voorbij en beiden gingen we onze eigen weg weer. Ik was geen antwoord rijker, sterker nog, een nieuwe vraag had zich aangediend. Waar kwam mijn aarzeling vandaan om deze vraag te stellen? Het had bijna als angst gevoeld...

In de middag wandelden we door die groene heuvels. Mijn vragen waren alweer naar de achtergrond verdwenen en mijn gedachten dwaalden evenals mijn voeten daar waar het moment ze bracht. Terwijl we alweer wat dichter bij de camping kwamen, stuitte ik op een jeugdherinnering. Ik was nog jong geweest, zes of zeven misschien, en we waren met een oom en tante en hun kinderen in Nederland op vakantie. Een uitgestrekt grasveld met aan de rand wat bomen doemde voor mijn geestesoog op. Mijn oudere neef, grappend tegen een andere jongen op de camping dat er hier wolven zaten en dat hij maar beter uit kon kijken. Hij geloofde het niet, maar aangezien iedereen het verhaal steunde ging hij uiteindelijk overstag. Even later liep zijn jongere broertje in de buurt van de bomenrij, waar schaduwen en struiken het onmogelijk maakten te zien wat erin school. Zijn stem jakkerde over het veld: 'Ben je gek geworden? Ga daar weg man, er zitten hier WOLVEN!'
Natuurlijk was dit de kroon op de grap, de beloning voor de discipline die we getoond hadden door onze gezichten in de plooi te houden, terwijl we zo serieus we konden het verhaal van mijn neef bevestigd hadden. Iedereen lachte hem uit, mijzelf inclusief, maar op de een of andere manier voelde het niet oké. Hoe onschuldig de grap ook was, de gezichtsuitdrukking van de jongen terwijl hij doorkreeg hoe hij beetgenomen was liet lijden zien. Pijn om zomaar vernederd en uitgesloten te worden door een paar onbekende jongens. Zulke pijn wilde ik nooit voelen. Een harde regel wrong zich bij me binnen: Laat jezelf nooit maar dan ook nooit wijsmaken dat er ergens wolven zitten.

Meer dan vijfentwintig jaar later was het nog steeds die regel die mijn gedrag bepaalde. Voor mezelf verborgen onder het stof van al die jaren liet hij me desondanks mijn woorden inslikken uit angst om uitgelachen te worden. In het aangezicht van die indrukwekkende telelens verloor ik de moed. Pas later realiseerde ik me waarom. De mens kan een wolf zijn voor zijn medemens, dacht ik al wandelend naar de camping, zelfs als het nog pups betreft.

maandag 13 april 2015

Verlichting...

Stephen Batchelor beschijft in zijn boek 'Confessions of a Buddhist Atheïst' een soort Boeddhisme vrij van dogma's als karma en reïncarnatie. Een Boeddhisme dat wérkelijk om het hier en nu gaat en niet nog altijd een soort pseudo-hemel voor ogen heeft - verlicht zijn of het nirvana bereiken - die je betreedt door uit de vicieuze cirkel van geboren worden, lijden en sterven te stappen. Eigenlijk is er niets logischer dan een dergelijk Boeddhisme, een Boeddhisme vrij van aannames over dingen die je niet kunt zien, niet kunt proeven en niet kunt ruiken. Wat zou je je druk maken om wat er na je dood gebeurt of dat al je halverwege of op driekwart van de weg naar het nirvana zit? Reïncarnatie is een concept waar ik mijn schouders over ophaal. Misschien bestaat het, waarschijnlijk niet. Geen enkele reden om iets dat zo ver weg en ook nog onbewezen is het leven dat ik nu leid te laten beïnvloeden.

Hetzelfde geldt voor karma, dat systeem dat geacht wordt alle goede en kwade daden in evenwicht te houden en ervoor te zorgen dat wie goed doet, goed ontmoet en een kwade daad je altijd achtervolgt. Wanneer ik nu vriendelijk ben voor iemand anders, wil ik niet nadenken over wat dit me oplevert behalve nu een goed gevoel. Vriendelijkheid zonder bonussysteem; het lijkt me wel zo normaal. Wanneer ik voor mijn gedrag beloond had willen worden, dan was ik wel Katholiek gebleven.

Als laatste is er verlichting, dat uiterst vreemde concept dat je pas snapt als je het bent en waar eigenlijk iedere Boeddhist naar streeft. Dat streven is een probleem en waarschijnlijk de grootste beer op de weg er naartoe. Maar dat er een weg is bewijst al dat je het in je hoofd als een plek ziet die ooit, in de verre of nabije toekomst, betreden kan worden. Waarom zou ik over zoiets nadenken als ik nu ook mijn oren kan spitsen en een vogel in de tuin kan horen fluiten?

donderdag 15 januari 2015

Stresspakket

Ik las laatst een artikel over de vraag of trauma's overerfbaar zijn. De strekking was dat er steeds meer aanwijzingen komen dat kinderen van ouders met PTSD (Post Traumatic Stress Disorder) niet alleen vaker een moeilijke jeugd hebben door de opvoeding die ze van hun getraumatiseerde ouders krijgen, maar dat ook het genetisch pakket dat ze van hun ouders meekrijgen een hogere kans geeft op het zelf ontwikkelen van PTSD. Dat zou te verklaren zijn door te zeggen dat de mensen die PTSD ontwikkelen hier vanuit hun genenpakket klaarblijkelijk vatbaarder voor zijn dan degenen die het niét ontwikkelen en dus ook deze vatbare genen doorgeven aan hun kinderen. Dit blijkt echter niet het hele verhaal.

Het lijkt erop dat op het moment dat we veelvuldig in stressvolle situaties verkeren die een diepe indruk op ons maken - denk aan oorlogssituaties of situaties waarin jouw of andermans leven in gevaar is - ons lichaam in staat is bepaalde genen aan of uit te zetten. Genen die te maken hebben met het omgaan met stress en die ons op dat moment waarschijnlijk beter in staat stellen tot het omgaan met de situatie, maar die op termijn tot PTSD kunnen leiden. Vervolgens is het mogelijk om dit aangepaste genenpakket - niet fundamenteel anders gebouwd, maar met andere ramen en deuren opengezet en gesloten - over te geven aan je nageslacht. Het relatief nieuwe vakgebied van de 'epigenetica' houdt zich hiermee bezig.

Dit klinkt misschien als slecht nieuws voor diegenen met getraumatiseerde ouders. Niet alleen krijgen ze vaak al een 'tik' vanuit hun opvoeding, maar ook genetisch zijn ze belast met de afschuwelijke lotgevallen van hun vader en moeder. Vanuit evolutionair oogpunt is het enigszins begrijpelijk: het lichaam zoekt een manier om het kind het genenpakket te geven dat het beste toegepast is op de situatie waarin het wordt geboren. Maar oorlog of geen oorlog: leuk kan dat stresspakket niet zijn. Toch deed het lezen van dit artikel me ook denken aan de mogelijkheden die dit inzicht biedt. Wanneer je door zeer stressvolle situaties in staat bent tot het aan/uit zetten van bepaalde genen, werkt dit proces dan ook de andere kant op? Met andere woorden: zou je als ouders vanuit een stress-arme omgeving en met gezonde coping-strategieën je kind een prettiger geprogrammeerd setje genen mee kunnen geven, een set dat minder vatbaar is voor stress en meer geschikt voor het ervaren van geluk?

Het wordt allengs minder wetenschappelijk en meer fantasie, maar ik zie direct toekomstige ouders voor me die zich middels meditatie wapenen tegen stress, waarbij de positieve effecten zowel betrekking op hun eigen leven hebben als op dat van hun nog te verschijnen nageslacht. Alhoewel ik zelf geen kinderwens heb, moet een dergelijk idee voor velen toch een extra stimulans zijn om dagelijks op een meditatiematje te gaan zitten.



Het volledige artikel:
'The science of suffering', door Judith Shulevitz. Gepubliceerd op www.newrepublic.com
http://www.newrepublic.com/article/120144/trauma-genetic-scientists-say-parents-are-passing-ptsd-kids

Korte omschrijving van epigenetica:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Epigenetica

zondag 11 januari 2015

Verwaaide grenzen

Wanneer het stormt en je daar loopt
waar de wind je de woorden uit het hoofd blaast

En de wereld opnieuw bekijkt
Of een gans zich in het luchtruim staande houdt
Of de takken aan de bomen vast genoeg zitten

Is het het water dat het grootste werk doet
Met zijn kracht de sloot ontsluit

Zodat het weiland bij zichzelf te rade moet of
Dat vastliggende goed waarvan hij is gemaakt
Niet heel wat minder vast ligt dan het dacht
Toen alles zich nog aan een orde hield die
Nu buiten zinnen in de wind vergaat






zondag 4 januari 2015

Hoop

Op tweede kerstdag stond bij mijn ouders de televisie aan. De toespraak van de paus werd uitgezonden en daarna nog een interview met Antoine Bodar. Zijn boodschap kwam er in het kort op neer dat we nog harder moeten streven het goede te doen voor onze medemens en vooral hoop moeten houden. Wat volgde was een discussie met mijn ouders die niet echt ergens naartoe ging en waarbij we vooral langs elkaar heen praatten. Ik had het gevoel dat er iets niet oké was aan de boodschap van meneer Bodar, maar onder woorden brengen kon ik het nog niet.

Hoop houden op een betere wereld en daarnaar streven door nog vaker klaar te staan voor een ander. Het probleem is dat ik al overspannen word als ik eraan denk dat ik naast mijn werk als hulpverlener en mijn andere bezigheden nog vrijwilligerswerk in een bejaardenhuis of iets dergelijks moet gaan doen. Waar blijven mijn behoeftes dan in dit verhaal? Het lijkt alsof het nooit genoeg is, alsof ik nooit genoeg kan doen voor die betere wereld. Maar het christendom lijkt dan te zeggen: 'Houd hoop en werk harder, dan bereiken we dat doel misschien wel.'

'Werk harder', voelt voor mij als een zweep waarmee ik mezelf moet afranselen tot het einde der tijden. Ik vrees dat de paus of een ander kerkelijk leider nooit gaat zeggen' 'Aan iedereen die zijn best gedaan heeft, wees tevreden en heb jezelf daarvoor lief!' In plaats daarvan moeten we 'hoop houden' op die betere wereld - hoe die er dan ook uit moge zien - en moeten we blijven reiken naar iets dat ver buiten ons bereik lijkt te liggen. Desnoods nog een keer de zweep erover, zodat je harder werkt.

Je kunt ook streven naar een betere wereld in de wetenschap dat iedere goed daad, ieder klein moment waarop je iemand laat glimlachen, goed genoeg is. Tevredenheid met wat je hier en nu bereikt, zonder onrealistische zelfkritiek. Vriendelijkheid voor een ander begint met vriendelijkheid voor jezelf, vanuit de overtuiging dat alleen diegenen die mildheid voor hun eigen fouten en gebreken op kunnen brengen, diezelfde mildheid naar de buitenwereld kunnen overbrengen. Daarmee valt de zweep van zelfkritiek uit elkaar en blijft er alleen een glimlach over. Naar mijn idee een veel gezonder uitgangspunt, zowel voor mezelf als voor de mensen om me heen.