Vorig jaar rond deze tijd ging het niet zo goed. Wat ik me er nog van kan herinneren is dat er vooral heel erg veel gedachten waren. Ze leken een eigen leven in mijn hoofd te leiden, alsof ik er niets meer had te zeggen. Het was niet leuk. Ik werd gek van de gedachten. De meeste kan ik me nog maar nauwelijks herinneren, maar er was er een die het onthouden waard was. Als ik hieruit wil komen, dacht ik, dan moet ik iets anders gaan doen. Ik moet stoppen met het oplossen van problemen door er heel hard over na te denken. Er moet een andere weg zijn. Ik wist niet welke weg en natuurlijk dacht ik ook daar weer heel hard over na, maar gelukkig wist ik dat het niet het denken was dat me ging helpen. Ik moest iets doen. En geheel tegen mijn natuur in zocht ik in mijn vrije tijd dingen op waar ik normaal gesproken wars van ben. Wierookstokjes, andere mensen, niet-wetenschappelijke taal en religieus aandoende rituelen. Het was een sprong in het diepe, een waar ik geen spijt van heb gekregen. Tenslotte was wat ik dacht dat mijn 'natuur' was, niets anders dan zo'n gedachte in mijn hoofd, iets dat je op kunt laten lossen door gewoon een halfuur te gaan zitten, naar de vloer te staren en je op je ademhaling te concentreren. Vanaf het moment dat ik dat ben gaan doen, zijn al die gedachten verdampt. Ik realiseer me pas nu dat ze nooit echt bestaan hebben, niet zoals deze tafel waar ik aan zit of de laptop waar ik op schrijf. En toch bepaalden ze mijn bestaan in grote mate.
Door mijn sprong in het diepe heb ik niets gevonden. Geen nieuw levensdoel of een zaligmakende religie om opvulling aan de leegte te geven. Juist die leegte, en je daarin wentelen. Noem het Zen, noem het ruimte, het maakt niet uit. Ik had nooit kunnen bedenken dat een sprong in het niets me zo veel had kunnen brengen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten