De afgelopen weken ben ik - ondanks vakantie - erg druk geweest. Desalniettemin is het me gelukt vrijwel iedere ochtend te mediteren. Het betekent een halfuur eerder opstaan, waar ik voorheen de discipline en de motivatie voor miste. Maar het levert iets op. De momenten van meditatie lijken een soort boeien in de oceaan te zijn geworden. Ondanks de wind en de golven, blijven ze dobberen op hun plek. Het gevoel van zo'n boei, waarop de grillen van het water minder grip op je hebben, neem ik de hele dag mee. Het zorgt voor rust in mijn hoofd en lijf. Maar zo gauw ik te ver van zo'n boei vandaan zwem - ik vergeet een of twee keer te mediteren - lijkt het alsof het bestaan van boeien uit mijn geheugen wordt gewist. Om me heen is dan alleen nog water dat zich oneindig uitstrekt. Ik weet niet meer waar ik naartoe moet zwemmen, tot ik mezelf weer dwing te mediteren.
Het lijkt alsof de afstand tussen twee boeien niet meer dan een dag zwemmen zijn mag. Liever nog een halve dag. Ik moet in staat zijn om als ik achterom kijk de vorige boei nog net te zien, terwijl ik bij een naar voor gerichte blik de volgende al in mijn blikveld heb. Alsof er een lijn loopt tussen die twee boeien die ik volgen kan, een lijn die breekt als ik een andere richting op zwem. Hoe meer ik mediteer, hoe gemakkelijker die lijn te volgen is en ik weer bij de volgende boei kom. Het lijkt eenvoudig om dus maar gewoon zoveel mogelijk te mediteren en eigenlijk is dat het ook. Toch weet ik dat ik de lijn tussen twee boeien nog regelmatig kwijt ga raken en ik mezelf weer - al is het maar voor even - verdwaald op zee zal wanen. Maar op de een of andere manier lijkt dat oké te zijn. Misschien dat iedere keer dat ik de weg weer terug vind, ik de volgende keer wat minder ver zal dwalen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten