woensdag 26 december 2012

Ruimte spiegelen

Waarom kunnen wij ons inleven in anderen? Die vraag heeft wetenschappers lang bezig gehouden. Inmiddels is er een antwoord: spiegelneuronen. Een aantal jaren geleden werd in een laboratorium bij toeval ontdekt dat als een de ene aap een beweging maakt - bijvoorbeeld het pakken van een stukje appel - dat in de hersens van een observerende aap dezelfde neuronen voor het maken van die handeling vuren. Zonder echt te grijpen, deden de hersens van de observerende aap alsof ze ook grepen. De verbindingen die dit mogelijk maken noemen we spiegelneuronen. Er wordt aangenomen dat spiegelneuronen de neurologische basis voor empathie vormen. De meeste dieren hebben ze niet.

Ik sprak vandaag met mijn moeder over spiegelneuronen en empathie, wat me terug deed denken aan het boek dat ik er ooit over gelezen heb. Daarin werd de vraag opgeworpen hoe we ervoor zorgen dat we ons wél in de ander kunnen verplaatsen, maar niet de ander worden. We vereenzelvigen ons niet volledig, alleen maar heel eventjes en voor een deel met de ander. Mijn moeder gaf aan dat ze nog steeds moet leren om niet alleen naar andermans behoeften te kijken, maar ook naar die van haarzelf. Ik beschouw mijn moeder als iemand met een hoge mate van empathie. Waarschijnlijk heb ik het van haar, want ik beschouw mezelf ook als iemand met een hoge mate van empathie. Ik zuig de emoties van anderen zo gemakkelijk op, dat ik soms niet kan slapen van boosheid omdat ik iemand op t.v. heb gezien die boos was. Waar houd ik op en waar begint de ander? Mijn moeder heeft hetzelfde probleem. Mensen met een hoge mate van empathie moeten leren wie ze zelf zijn en waar hun grenzen liggen. Meestal zijn ze van nature sub-assertief. Ze gaan op in het veld van emoties en behoeften dat ze om hen heen waarnemen en zijn snel geneigd daarin te verdrinken. Alhoewel ik zeker niet volleerd ben hierin, heb ik mezelf aangeleerd mijn ademhaling als een reddingsboei te gebruiken. Mijn ademhaling is altijd van mezelf. En via mijn adem kom ik in contact met mijn lichaam, waar mijn emoties zitten. Dan voel ik wat ik zelf moet voelen, wat van mij is.

Wanneer ik mediteer, probeer ik weleens op te gaan in de energie waar alles uit ontspringt. Dat is geen wetenschappelijke energie, maar iets dat vanuit het (zen)boeddhisme wordt beschreven. De energie die overal aan ten grondslag ligt. Je voelt hem als je ervoor open staat en dan lost je 'zelf' er in op. Op dat moment is dat prettig. Je hebt geen ego meer en geen behoeften en je bent volledig in het nu. Ik zie die energie als hetgeen dat alles aanstuurt, waar de levenswil en dus de emoties en behoeften van alles dat groeit en leeft vandaan komt. Wanneer je ermee in contact staat en tegelijkertijd met mensen omgaat, lijkt alles gemakkelijker te gaan. Je voelt jezelf en de ander uitstekend aan, weet waar de grens ligt en toch is alles relatief, weet je dat de ander in feite dezelfde is als jij bent en dat het spel dat jullie spelen opkomt en ondergaat vanuit dezelfde oneindige ruimte. Dit heeft wellicht niets te maken met spiegelneuronen. Het is paradoxaal en mystiek en vooral niet-wetenschappelijk. Toch heb ik het gevoel dat er een verband is. Misschien gebruik ik mijn spiegelneuronen wel om mezelf aan die energie te spiegelen. Een energie die zo oneindig is dat mijn gespiegel erin verdwijnt. Alsof ikzelf de spiegel ben en het enige om me heen oneindige ruimte is. De enige boodschap die in mijn spiegel weerkaatst is dat ik eigenlijk in mezelf kijk en dat ik dus ook zelf oneindige ruimte ben. Dan verdwijnt de spiegel vanzelf en blijft er alleen ruimte over: de energie waar alles uit ontspringt.


(Over spiegelneuronen: Het spiegelende brein, Marco Lacobini)



zaterdag 8 december 2012

Zonder woorden

Witte velden die nog nauwelijks betreden zijn. Het heeft gesneeuwd. Het waait zo hard dat ik af en toe een mist van opgeblazen stuifsneeuw over het land zie glijden en als de wind even wat minder blaast, is het mijn hond die door sneeuw heen rent en met zijn enthousiasme kleine wolkjes op doet vliegen. De lucht is grijs en bekent met deze kleur dat dit nog maar het begin is. Ik heb het koud. In die grijze lucht zweeft een buizerd die me denken doet aan een nieuwjaarsochtend van zeker een jaar of tien geleden. Toen was ik wakker geworden in een witte wereld en had ik - nog zonder hond - besloten om naar buiten te gaan. Ook toen was de sneeuw nog nauwelijks betreden en had ik het stervenskoud. Het landschap waar ik door liep was echter zo betoverend dat ik ondanks mijn gevoelloze tenen urenlang door de sneeuw ploeterde om deze geheel nieuwe wereld te verkennen. Er was ook een buizerd geweest. Zittend op een tak had hij bekeken wat ik deed. Iedere keer als ik dichterbij kwam, was hij vijftig meter verder gevlogen en was hij weer gaan zitten. Vijftig meter verder door de sneeuw ploegen. Uiteindelijk heb ik hem niet één keer dicht genoeg kunnen naderen om hem goed te bekijken. Toch heb ik het onthouden, alsof die dag een bijzondere betekenis heeft die ver gelegen is voorbij de kennis die in woorden uit te drukken valt. Een mens, sneeuw en een buizerd. Tien jaar later op een andere plek lijkt alles toch hetzelfde. Ook deze buizerd gaat zitten op een tak en houdt mij in de gaten. Ik heb het koud, ik ploeg door de sneeuw en ik denk nergens aan dan aan het moment. Dit keer kan ik dichterbij komen. Misschien tien meter is wat er nog rest tussen hem en mij. Dan vliegt hij weg. Natuurlijk vliegt hij weg. En opnieuw heb ik het gevoel dat dit iets betekent. Niet alsof iets of iemand mij iets duidelijk probeert te maken en niet alsof ik hier lering uit moet trekken en mijn leven moet veranderen. Ver voorbij interpretatie. Gewoon het moment dat perfect in zichzelf besloten ligt. Hier en nu zonder woorden. Zoals je zou willen dat het altijd is.


Niet bij geluk gebaat


In mijn vorige bericht schreef ik over mensenhersens die op een manier werken die voor de mens zelf heel onprettig is. Wij zijn in gedachten continu op zoek naar potentiële gevaren en mogelijke oplossingen, en dat in een tijd waarin de gevaren vele malen minder groot zijn dan pakweg vijftigduizend jaar geleden. We zijn nu eenmaal zo geprogrammeerd. Vandaar dat stress een van de grootste problemen van deze tijd is, met alle gezondheidsrisico's van dien. Want wat is er nu helemaal aan de hand? We hebben een dak boven ons hoofd, een werkende c.v. en eten in de koelkast. Er is hooguit wat gedoe op het werk, of er er zijn wat woorden met je partner. We maken ons druk of we in ons leven wel doen wat we écht willen, terwijl we ondertussen een grote kans hebben minstens tweemaal zo oud te worden als de gemiddelde mens die op deze aardbol rondgewandeld heeft - en die waarschijnlijk überhaupt nooit aan die vraag toegekomen is. Waarom zijn we dan niet tevreden? Waarom zorgt onze programmering er voor dat er altijd iets is om ons zorgen over te maken, terwijl vanuit diezelfde programmering we niets liever willen dan gelukkig zijn? Alsof je een computerprogramma schrijft dat het zichzelf onmogelijk maakt om optimaal te draaien. Het lijkt allemaal onlogisch, maar dat is het niet. In mijn bericht 'geademd worden' heb ik al de aanzet tot een verklaring gedaan. Ons ego zit ons in de weg, want het draait allemaal niet om ons. Het is mijn genetisch materiaal - mijn programmering - dat me laat streven naar dingen, dat me me zorgen laat maken en altijd op laat letten voor potentiële gevaren, ook al zijn die gevaren in deze tijd meestal niet meer levensbedreigend en vrij relatief. Mijn genen zijn niet bezig met geluk. Ze zijn bezig met streven naar geluk. Wat hebben mijn genen eraan als ik tevreden ben? Daar heb ik alleen zelf iets aan, maar zoals ik elders al vermeldde: mijn gevoel van 'ik' is alleen een bijproduct. Mijn genen willen niet dat ik op mijn lauweren rust. Dat is niet goed voor hun overlevingskansen. Mijn genen willen dat ik continu bezig ben met overleven en voortplanten, of dat ik op indirecte wijze de kansen op overleven en voortplanten zo groot mogelijk maak. Vandaar dat geluk zoals wij mensen dat willen ons altijd door de vingers glipt. Je heb het hooguit even. Onze genen zijn niet bij geluk gebaat en laten ons meteen weer naar iets nieuws streven als de het oude is behaald. En als we onszelf wijsmaken dat we alles hebben wat ons hart begeert, maken we ons toch nog zorgen over het behoud van wat we hebben.

Nu verkeren wij als mensen in de gelukkige positie dat we onze situatie min of meer begrijpen. En vandaar uit kunnen we invloed uitoefenen. Ik heb het natuurlijk over meditatie en de manier waarop het inzicht geeft in hoe wij constant achter onze eigen staart aanrennen. Maar naast meditatie kunnen bepaalde rationele inzichten bijzonder ondersteunend zijn. Als iemand me voordat ik mediteerde verteld had dat ik slechts het werktuig van een grotere kracht ben die niet bij mijn geluk gebaat is, zou ik hem niet geloofd hebben. Nu ik het zelf zowel geconcludeerd als ervaren heb, is het een krachtige waarheid geworden die me dieper door laat dringen tot wat werkelijk is.


woensdag 5 december 2012

Neurologisch gepruttel

Op het moment lees ik een boek genaamd 'Het brein van Boeddha', dat een meer wetenschappelijk licht werpt op boeddhisme en meditatie. Ik ben nog maar nauwelijks op een vierde, maar nu al heeft dit boek me nieuwe inzichten gegeven. Waar ik me de laatste tijd bijvoorbeeld aan stoor, is dat het me niet lukt om vanuit werk thuis te komen en dan ook mijn werk echt achter me te laten. Ik wandel met de hond door het bos en toch is vrijwel het enige waar ik aan denk mijn werk. Alles wat zich voorgedaan heeft, speelt zich nogmaals in mijn hoofd af en alles wat ik daar een volgende keer anders in zou kunnen doen, wordt ook alvast op het witte doek in mijn brein geënsceneerd. Toch is er wel verandering. Waar ik vroeger altijd dapper de eerste schreden op de weg van een gedachte zette en doorging tot ik bij de eindbestemming was - een eindbestemming die ik zelden écht bereikte - , denk ik nu al veel minder in volzinnen en logische oorzaak-gevolg verbanden en zie ik mijn gedachten meer voor wat ze zijn. Ooit vond ik ze belangrijk en was ik ervan overtuigd dat ze me iets te vertellen hadden. Ik dacht dat het de moeite waard was ze altijd en overal te volgen en het pad dat voor me lag plat te treden met mijn onverdeelde aandacht. Nu is het al anders. Ik denk  vaak nog maar in halve zinnen en schimmige beelden en meestal weet ik mezelf ervan te overtuigen dat het ook nog zinnen en beelden zijn die niets te zeggen hebben. Eigenlijk is dat denken niets meer dan neurologisch gepruttel. Wanneer ik twee dagen niet werk, wordt het gepruttel met betrekking tot dat werk ook steeds minder. Dan komt er ander gepruttel voor in de plaats. Denkflarden, geproduceerd door talloze verbindingen in mijn brein. Het is maar een bijverschijnsel van het leven, van het opdoen van ervaringen en van leren. Ik hoef er niets mee. Daarmee kan ik gemakkelijk zo'n negentig procent van wat ik denk wegzetten als 'bijproduct'. Alhoewel dat gepruttel er nog steeds is, voelt het goed het niet meer allemaal zo serieus te moeten nemen. Daarnaast ontstaat de ruimte om die tien procent die er wel toe doet als zodanig te herkennen. Normaal vertroebelen de denkflarden datgene wat er echt toe doet. Nu wordt alles juist verhelderd (of 'verlicht', want dat is wat 'Boeddha' letterlijk betekent: verlichte). Wat 'Het brein van Boeddha' zo interessant maakt, is dat het verklaart op neurologisch gebied hoe mensenhersens werken. En waarom de manier waarop die mensenhersens werken eigenlijk helemaal niet zo prettig is voor die mensen zelf. Tenslotte heb ik er eigenlijk alleen maar last van dat ik na mijn werk nog aan mijn werk moet denken. Ik weet nu waarom dat is. Nu moet ik het nog verder afleren.