maandag 22 januari 2018

Vossenjacht

Wat een vreemde trip is het leven de afgelopen maanden geweest. In oktober tintelingen in mijn vingers en nachtelijke spierschokken op de momenten tussen slapen en waken in. Slapeloosheid zoals ik nog nooit meegemaakt had. Een kloppende priem vanaf de kruin van mijn hoofd tot aan het punt tussen mijn ogen. Nog meer slapeloosheid en een totaal onvermogen me ergens op te concentreren of prikkels te verdragen. En iedere keer als het weer wat beter ging een tegenslag. Eerst een middeltje van de huisarts om iets beter te slapen. Helaas werd ik daar ontzettend somber van: welkom terug slapeloosheid. Vervolgens een bedrijfsarts die met zijn hautain autoritaire houding volledig in mijn allergie zat en met psychiatrische diagnoses begon te strooien omdat ik niet volgens zijn protocol beter werd. Mijn klacht werd als terecht beoordeeld. Jammer dat ik in de twee weken tussen klacht en oordeel ondervond waar de uitdrukking 'stijf van de stress staan' vandaan komt. De spieren in mijn benen stonden letterlijk stijf van stresshormonen. Wederom een terugval in slapeloosheid. 'Waarom maak je je zo druk om die bedrijfsarts?', zei iemand. Het eigenaardige besef dat ik me inderdaad veel te druk maakte, maar dat ik eenvoudigweg niet anders kon. De situatie was als een sloopkogel door relativeringsvermogen, positieve gedachten en aandachtig in het hier en nu zijn gegaan. Een verstand dat overuren draait om uit te denken waar het mis is gelopen en hoe het verder moet, terwijl ik me tegelijkertijd bewust was van de destructieve werking van al dat denken op mijn herstel. Duizend verhalen om te verklaren wat er gebeurt en niet één is er echt waar.

Op een van de vele dieptepunten een wandeling in de besneeuwde uiterwaarden, waar ik verderop een groepje mannen zag staan. Ze stonden lachend bij elkaar; een schonk de anderen koffie in uit een thermosfles. Een labrador kwispelde opgewonden aan de lijn. Iets dichterbij zag ik dat een van de mannen een open geknikt jachtgeweer onder de arm had. Op de sneeuw lagen keurig op een rij vier doden vossen. Waterige knikkers van ogen die op barsten leken te staan. De tongen blauw uit de bekken, de vachten morsig en besmeurd met bloed. Sporen van rode druppels op de sneeuw die allen naar het rijtje dode vossen leidden, waar ze van druppels in grote vlekken veranderden.
De mannen stonden eromheen alsof ze op een gezellig uitje waren, misschien een dagje dierentuin met een extraatje schiettent. Het beeld raakte me tot in het diepst van mijn lijf. Ik was het halfuur erna druk met tegen mezelf zeggen dat het vast om de wildstand ging, dat vossen ook een plaag konden worden en dat die mannen gewoon hun werk deden. Hoeveel kippen en ganzen zouden die beesten anders nog doodbijten? Mijn hoofd begreep het, maar mijn gevoel kon niets met deze relativeringen. Wanneer ik aan het beeld denk, voel ik nog steeds verdriet en verslagenheid om alles dat lijdt en sterft in deze wereld.

Vier dode vossen op een rij op een dieptepunt in mijn leven. Maar vandaag zag ik een levende vos op nog geen drie meter afstand. Hij schoot achter me langs toen ik voorbijliep, rond elf uur 's ochtends, en rende enkele prachtige momenten over een akker richting de bosrand. De hond gaf zijn achtervolging al vlug op en kwam weer bij me. Zo'n situatie die voorbij is voor je er erg in hebt en waarvan je pas seconden later begrijpt dat het bijzonder was. Is dit de eerste van de levende vossen, dacht ik vervolgens. Zou ik er vier nodig hebben voor een volledig herstel? Belachelijk natuurlijk. Bovennatuurlijke betekenisgeving, absurde patroonherkenning door een overactieve geest.
Maar waarom niet, denk ik terwijl ik dit schrijf. Ik heb zoveel verhalen gesponnen om te verklaren wat me overkomen is en geen ervan heeft me geholpen. Waarom niet uitkijken naar levende vossen? Het brengt me allicht meer dan het eindeloos vermalen van het verleden. Het geeft wat vorm aan het gat dat 'toekomst' heet.

Nog drie te gaan. Ik trek mijn wandelschoenen maar weer aan.