Daar waar de wolven zitten waren wij op vakantie. In Slowakije, een land dat van alle Europese landen het meest in ongerepte natuur gehuld gaat. Uitgestrekte bossen, bergketens met besneeuwde toppen en laagland waar je struikelt over het wild. Wij waren in het zuiden, in de heuvels dichtbij de grens met Hongarije, en ik vroeg me af: zitten ze hier ook, die wolven? Ik stond op het punt het te vragen aan een van de Nederlanders die ook op de camping stond. De telelens die op zijn camera prijkte veronderstelde een eigenaar met een grote kennis van de natuur.
Wolven...? De vraag balanceerde op mijn tong, maar ik kreeg het niet voor elkaar de klanken door door de lucht te laten trillen. Iets hield me tegen. Hij verloor zijn evenwicht en viel terug in de diepte waar hij vandaan kwam. Het moment was voorbij en beiden gingen we onze eigen weg weer. Ik was geen antwoord rijker, sterker nog, een nieuwe vraag had zich aangediend. Waar kwam mijn aarzeling vandaan om deze vraag te stellen? Het had bijna als angst gevoeld...
In de middag wandelden we door die groene heuvels. Mijn vragen waren alweer naar de achtergrond verdwenen en mijn gedachten dwaalden evenals mijn voeten daar waar het moment ze bracht. Terwijl we alweer wat dichter bij de camping kwamen, stuitte ik op een jeugdherinnering. Ik was nog jong geweest, zes of zeven misschien, en we waren met een oom en tante en hun kinderen in Nederland op vakantie. Een uitgestrekt grasveld met aan de rand wat bomen doemde voor mijn geestesoog op. Mijn oudere neef, grappend tegen een andere jongen op de camping dat er hier wolven zaten en dat hij maar beter uit kon kijken. Hij geloofde het niet, maar aangezien iedereen het verhaal steunde ging hij uiteindelijk overstag. Even later liep zijn jongere broertje in de buurt van de bomenrij, waar schaduwen en struiken het onmogelijk maakten te zien wat erin school. Zijn stem jakkerde over het veld: 'Ben je gek geworden? Ga daar weg man, er zitten hier WOLVEN!'
Natuurlijk was dit de kroon op de grap, de beloning voor de discipline die we getoond hadden door onze gezichten in de plooi te houden, terwijl we zo serieus we konden het verhaal van mijn neef bevestigd hadden. Iedereen lachte hem uit, mijzelf inclusief, maar op de een of andere manier voelde het niet oké. Hoe onschuldig de grap ook was, de gezichtsuitdrukking van de jongen terwijl hij doorkreeg hoe hij beetgenomen was liet lijden zien. Pijn om zomaar vernederd en uitgesloten te worden door een paar onbekende jongens. Zulke pijn wilde ik nooit voelen. Een harde regel wrong zich bij me binnen: Laat jezelf nooit maar dan ook nooit wijsmaken dat er ergens wolven zitten.
Meer dan vijfentwintig jaar later was het nog steeds die regel die mijn gedrag bepaalde. Voor mezelf verborgen onder het stof van al die jaren liet hij me desondanks mijn woorden inslikken uit angst om uitgelachen te worden. In het aangezicht van die indrukwekkende telelens verloor ik de moed. Pas later realiseerde ik me waarom. De mens kan een wolf zijn voor zijn medemens, dacht ik al wandelend naar de camping, zelfs als het nog pups betreft.